De tanks in Cushing zitten tjokvol

Midden op de prairie van Oklahoma staat Amerika’s grootste ‘tank farm’. Zolang de wereldeconomie er slecht voor staat, blijven deze tanks bomvol met olie.

De opslagtanks in de Amerikaanse plaats Cushing, die elk 575.000 vaten olie kunnen bevatten, zitten voor 75 à 85 procent vol. Foto Bloomberg Storage tanks stand at the Enbridge Inc. Cushing Terminal in Cushing, Oklahoma, U.S., on Tuesday, Feb. 17, 2009. Crude oil for April delivery fell on speculation that a government report tomorrow will show U.S. supplies climbed for the 19th time in 21 weeks as the recession cuts demand. New York Mercantile Exchange (NYMEX) traded West Texas Intermediate crude oil is delivered and stockpiled at the Cushing Terminal. Photographer: Shane Bevel/Bloomberg News BLOOMBERG NEWS

Aan de rand van een non-descript Amerikaans stadje met nauwelijks achtduizend inwoners, ver weg van alles in de toch al dunbevolkte staat Oklahoma, staan driehonderd tanks boordevol olie op de prairie. De plek mag diep weggestopt zijn, wereldwijd houden oliehandelaren deze zogenoemde tank farms obsessief in de gaten, op zoek naar aanwijzigingen over olievoorraden en, daarmee, de staat van de wereldeconomie.

John Gauderman (34) is hier als plant manager verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken bij de eigenaar van het merendeel van de tanks. In zijn witte pick-uptruck laveert hij tussen de mammoettanks door. Hij wil graag vertellen over het feit dat alleen in de Amerikaanse strategische oliereserves van de overheid meer olie wordt bewaard en over het misverstand dat Saoedi-Arabië Amerika’s grootste olieleverancier zou zijn, terwijl Canada dat is. Maar om de paar minuten klinken er gitaren, laat Gauderman zich onderbreken en stopt hij de wagen op weer een andere grintweg. Het is rockklassieker The eye of the tiger en het is Gaudermans telefoon.

„Geweldig!”, roept hij bij herhaling als hem telefonisch gevraagd wordt hoe het gaat. Hij bedoelt het ironisch. De timing van het bezoek had – vanuit het oogpunt van Gaudermans werkgever Enbridge – niet slechter kunnen zijn. Enbridge biedt niet alleen opslag van olie aan, het exploiteert ook pijpleidingen zodat de olie met 6,5 kilometer per uur uit Canada naar de VS kan komen. Drie pompstations op rij die de belangrijke Spearhead-pijpleiding in werking moeten houden, zijn net uitgeschakeld door een lokale tornado. „Het zijn echt rampentoestanden daar verderop. We hadden vandaag beter kunnen gaan golfen.” Of nee, beter nog. „We hadden de kroeg in moeten duiken.”

De wereldwijde oliehandel kan voor buitenstaanders een abstract complex zijn waarin olieconcerns, speculanten en olieproducerende landen verenigd in de OPEC elk hun eigen rol spelen. Maar in Cushing wordt zichtbaar wat de relatie is tussen de wereldeconomie en de olie-industrie.

De tanks zijn, zo zegt Enbridge-bestuurder Bruce MacPhail later aan de telefoon uit Canada, „erg, erg vol” omdat olie nu massaal wordt opgeslagen bij gebrek aan vraag en in afwachting van betere tijden. De tanks van Enbridge zijn tot de nok toe verhuurd en zitten – specifieker wil Enbridge niet zijn – voor 75 à 85 procent vol.

Het Amerikaanse ministerie van Energie houdt de bezettingsgraden ook bij en zegt dat de laatste maanden in Cushing meer dan dertig miljoen vaten olie zijn opgeslagen, het grootste aantal sinds vijf jaar geleden begonnen werd deze gegevens bij te houden. Volgens het ministerie blijft de voorraad tot minstens 2011 op dit niveau; pas dan zou de wereldwijde vraag weer voldoende zijn aangetrokken. Hierdoor is een economische wetmatigheid van kracht geworden die in de oliewereld ‘contango’ heet. Contango wordt bereikt als de spotprijs, de aankoopprijs van vandaag, voor olie lager is dan de futures-prijs, die in de toekomst. Daardoor loont het nu in te slaan, of in ieder geval niet te verkopen en af te wachten.

Gezien het enthousiasme van Enbridge’s klanten kan deze situatie nog even duren. „De vraag naar opslagcapaciteit is zo groot”, zegt Bruce MacPhail, „dat we verzoeken moeten afwijzen. Niet iedereen wordt daar even blij van”. Sommige oliebedrijven zetten bij gebrek aan opslagcapaciteit op land nu olietankers op zee in.

Enbridge vergroot de eigen capaciteit nu ook, al moeten daarvoor kleinere tanks uit 1921 sneuvelen. „Ze hebben de Depressie overleefd”, zegt John Gauderman bijna nostalgisch als hij de oudste tanks aanwijst, „de oliehausse kwamen ze door, toen weer de neergang, toen weer de hausse, toen weer de neergang.” Op hun plek komen meer van het grootste type tanks te staan, die elk 575.000 vaten olie kunnen bevatten. Gauderman duidt hun grootte liever met een vergelijking aan: in een tank past een ijsbaan, inclusief tribunes.

Cushing was altijd al een oliedorp maar toen de olievelden uitgeput raakten werden opslag en distributie belangrijker. Dankzij een ondergronds warnet van pijpleidingen groeide de plek uit tot het draaipunt van de Noord-Amerikaanse olietransport.

‘Cushing’ werd van plaatsnaam een begrip. In 1983 besloot de New Yorkse beurs NYMEX Cushing aan te wijzen als het prijsbepalende punt voor de Amerikaanse oliemaatstaf West Texas Intermediate, volgens sommigen de belangrijkste graadmeter van de olieprijs ter wereld. Anderen, zoals het inmiddels verdwenen Lehman Brothers, vinden de Europese Brent-olie of de Dubai-olie uit het Midden-Oosten een correctere weergave van de oliemarkt. De Cushing-prijs zou vertroebeld worden door capaciteitsgebrek en hoge transportkosten: een rivier voor tankschepen is hier niet, de dichtstbijzijnde oprit naar een snelweg ligt 36 kilometer verderop.

Naast Enbridge – die deze ‘tank farm’ in 2004 van Shell kocht – zijn in Cushing nog drie bedrijven actief: olieconcern BP en twee kleinere Amerikaanse spelers. De overname door Enbridge geeft de recente verschuiving in deze sector goed weer: in het verleden hielden producenten en raffinaderijen vervoer en opslag in eigen hand. Maar met de toename van de wereldwijde vraag naar olie kwamen bedrijven zoals Enbridge op, en zelfs financiële bedrijven die eerst alleen handelden zoals Morgan Stanley mengden zich in de opslag.

Volgens Enbridge-bestuurder MacPhail is een kwart van de olie in zijn tanks van financiële partijen. Dat percentage daalt nu deze Wall Street-bedrijven verdwijnen of in ieder geval dit soort afgeleide bezigheden vaarwel zeggen. MacPhail vindt het prima dat deze klanten verdwijnen. „Want wij streven financiële stabiliteit en afspraken voor de langere termijn na.”

Op de prairie zelf blijkt dat de werknemers van Enbridge nog iets anders zoeken: hulp van buitenaf. Als Gauderman de pick-uptruck stopt en naar buiten hangend met een collega in spijkershirt en cowboyriem gebbetjes uitwisselt, vraagt hij of deze werknemer de bezoekende Europeanen nog iets wil meegeven.

„Never fight ’em fair”, zegt de man eerst als losse strijdkreet tegen niemand in het bijzonder, vecht nooit eerlijk. „Preach on, brother James”, preek rustig door, zegt Gauderman dan bij wijze van aanmoediging. En dan komt het toch nog. Een vriendelijk verzoek. „Kunnen jullie in Europa ons misschien helpen door wat meer olie te verbruiken?”

Meer reportages over de Amerikaanse economie op nrc.nl/recessie