'Angst voor moslims is geen domme haat'

Als een veldheer regeert hij al drie jaar in Amsterdam Slotervaart. Gesprek met stadsdeelvoorzitter Ahmed Marcouch. ‘Als je bang bent, wordt het gezwel alleen maar groter.’

De zomer van 2009 „Deze zomer zal totaal anders zijn dan alle andere zomers. Marokko is voor mij een klooster, de plaats van mijn overleden moeder en voorouders. Nu ligt ook mijn vader daar begraven. Zijn gemis zal centraal staan.” Morocco, Al Hoceima, the coast on the ocean near the town hemis.fr

Boze jongens zitten onderuitgezakt op de bank in jeugdhonk Oportuna. Voor hen staat stadsdeelvoorzitter Ahmed Marcouch (1969), wijdbeens, de vingertoppen tegen elkaar. Hij vertelt over homo’s die goede moslims zijn. Dat vrijheid zuurstof is en dat je, als je anderen geen zuurstof gunt, zelf ook stikt. En hij vraagt wat hun probleem met homo’s is. „Hebben jullie er soms ervaring mee of zo?”

De bank joelt, sist, duwt en trekt. Kan die man weg?

„Hebben je ouders je niet opgevoed?”, vraagt Marcouch. „Mijn vader is dood”, zegt de kwaadste jongen. „Heeft je moeder je niet opgevoed?” „Wat weet jij van mijn moeder?” „Jongen, je bent het visitekaartje van je ouders. Gedraag je.” De jongens gaan wat rechter zitten. Er ontstaat iets van een gesprek. Maar als Marcouch een half uur later het honk verlaat, loeien ze ‘homo’ tegen de deur. „Laat ze maar”, zegt de procesmanager jeugd en veiligheid die ook mee is. Maar Marcouch draait zich al om. Hij gooit de deur open. Had er iemand nog wat? Niemand? Mooi.

„Ik was enorm geschrokken”, zegt Marcouch een paar dagen later in zijn huis in Slotervaart. „Van die jongerenwerkster.” De jongerenwerkster was een welbespraakte moslima die aan Marcouch had uitgelegd dat de jongens boos zijn omdat ze vaak ten onrechte door de politie worden aangehouden. Marcouch heeft koffie en koekjes op de salontafel gezet. Onder de glasplaat liggen boeken over islamitische kunst en architectuur. Hij pakt zijn telefoon en leest een e-mail voor, van de jongerenwerkster. „Ik heb gehoord dat u teleurgesteld bent over mijn rol”, schrijft ze. Ze wil graag met Marcouch praten. „Ik zal haar bellen”, zegt de voormalige politieagent. „Die anti-politie-attitude kan natuurlijk echt niet.”

De woning van Marcouch, die je niet met schoenen mag betreden, is die van een man alleen die geen tijd heeft om troep te maken. Bijna niets aan de muur, een lege laminaatvloer. In zijn boekenkast staan boeken als Over de geest van de wetten van Montesquieu, de biografie van Joop den Uyl en Dromen van mijn vader van Barack Obama. Een stilteoord in Amsterdam Slotervaart, een rumoerig stadsdeel waar bijna de helft van de bewoners allochtoon is. Buiten voert Marcouch al drie jaar als een veldheer strijd tegen vervuiling, overlast, verval, criminaliteit en radicalisering. Met de bijbehorende oorlogstaal, Marokkaanse criminelen zijn ‘tuig’, de wijk moet ‘heroverd’. Met zijn harde aanpak trekt hij landelijk de aandacht. Dit voorjaar deed hij enkele spraakmakende voorstellen: criminele Marokkanen uitzetten, ‘spijbelende’ scholen aanpakken en het homofeest Gay Pride moet beginnen in Slotervaart.

Houdt u van provoceren?

„Provoceren? Ik? Nee.”

Hij kijkt erbij als een kind met een waterpistool.

Die jongens in het jeugdhonk denken dat zij plaats moeten maken voor een homobar. Dat is niet zo. Waarom vertelt u ze dat niet gewoon?

„Ik weet niet of daar geen homobar komt. Als iemand in Slotervaart een homobar wil openen, moet hij steun voelen om dat te doen.”

Dat zegt u die jongens niet. U laat hen in de waan dat er een homobar in hun jeugdhonk komt.

„Het is mijn taak die jongeren aan het denken te zetten.”

Er gaan stenen door de ruiten, zeggen de jongeren.

„Dat zijn allemaal angstscenario’s die politici er van weerhouden om problemen op te lossen. Die scenario’s zijn mij ook voorgehouden toen ik hier in 2006 begon en ik definieerde wie het probleem veroorzaakte. We hadden net een incident gehad. Een Marokkaan was nota bene doodgeschoten door de politie. Op zo’n moment kun je zeggen: laten we het maar even rustig aan doen. Nee, juist dan moet je leiden. Als je bang bent, wordt het gezwel alleen maar groter.”

Leiden. Hoe doe je dat? In woord en daad je boodschap uitdragen, zegt Marcouch. Hij zal het de komende uren nog veel en vaak en in alle toonaarden herhalen. De boodschap is simpel: elke burger heeft recht op maximale vrijheid, de homo om homo te zijn, de moslim om moslim te zijn. En elke Nederlandse staatsburger heeft rechten en plichten en moet zijn bijdrage leveren aan de maatschappij. Wie niet meewerkt, moet hard worden aangepakt. Dat geldt voor ‘het tuig’ net zo goed als voor de topmanager die dreigt naar het buitenland te gaan als hij zijn bonus niet krijgt. Marcouch is een voorstander van wij-zij- denken. Wij die willen versus zij die niet willen.

Mohammed B. en Samir A. willen niet. Hoeveel homegrown terrorists telt Slotervaart nog meer?

„Dat weet ik niet. Maar ik heb wel zicht op hoe jongeren vatbaar zijn voor de retoriek van radicale imams.”

U bent zelf ook een periode moslimfundamentalist geweest.

„Ik was een jaar of dertien en bezig met een zoektocht naar mijn identiteit. Ik luisterde naar cassettebandjes met preken in het Arabisch. Ik begreep nauwelijks wat er werd gezegd, maar ik was gevoelig voor de schoonheid van de taal. Ik luisterde de bandjes zo vaak af dat ik de preken uit mijn hoofd kende.”

Had u een hekel aan homo’s?

„Homoseksualiteit was toen geen issue. Wel de positie van de vrouw. Een imam zei eens: ‘Een vrouw heeft het recht om drie keer in haar leven naar buiten te gaan. De eerste keer is om de baarmoeder te verlaten, de tweede keer is om van het huis van haar vader naar het huis van haar man te vertrekken. En de derde keer is om naar haar graf te gaan.’ Ik was het daar mee eens, toen.”

Wat was er nodig geweest om te worden als Mohammed B.?

„Niet veel misschien, maar er is wel een groot verschil. Mijn vrienden en ik waren niet gewelddadig. En we waren wel boos, maar beslist niet op Nederland. We waren boos op de islamitische landen die het niet zo nauw namen met de islamitische waarden en normen. In Marokko was de toenmalige koning een machiavellist. Daar hadden we het over.”

Waardoor kwam er een einde aan uw radicale periode?

„Dat kwam vooral doordat mijn oudere broer, die al studeerde, naar Nederland kwam. Hij ging om met allerlei buitenlandse studenten, uit Ethiopië, Egypte. Door hen kwam ik in andere sferen. Ik voerde andere gesprekken en begon zelf bronnen te raadplegen. Bij die wereld wilde ik horen. Ik meldde mij aan bij de universiteit. Ik zie me nog staan bij het loket. ‘Dat gaat zo maar niet’, zei die mevrouw. Ik had alleen lts.

„Mijn vader speelde ook een belangrijke rol. Op een dag beweerde ik dat mijn zus niet met haar aanstaande man mocht trouwen omdat hij rookte. Mijn vader was niet van de lijfstraffen, maar toen heeft hij mij een tik gegeven.”

Marcouch werd geboren in Beni Bouyafar aan de Noord-Marokkaanse kust, een dorpje waar de bevolking uitliep als er eens een auto kwam. In Amsterdam-Oost kon hij als jongetje zijn ogen niet geloven toen hij trams zag. Hij viel bijna van hun Franse balkonnetje toen hij op een avond cafégangers naar buiten zag wankelen. „Ik had nog nooit iemand dronken gezien.” En school was „een feest dat nooit over mocht gaan”.

Marcouch was tien jaar toen hij naar Nederland kwam. Al stond in zijn paspoort dat hij dertien was. Zijn moeder had Ahmed bij zijn geboorte de naam gegeven van een overleden broertje dat drie jaar eerder was geboren. Door een fout van het bevolkingsregister gaat Ahmed sindsdien door het leven als zijn broertje. Daardoor zat hij zijn hele schoolcarrière tussen oudere kinderen. Toen Ahmed drie was overleed zijn moeder.

Thuis werd veel over politiek gesproken. Zijn vader was voor „de partij van de kale” en tegen „de partij van de moedervlek”. De namen Den Uyl en Van Agt kon hij niet uitspreken. Vader was ook een toegewijde moslim. Voor dag en dauw stond hij op, zette koffie en maakte de kinderen wakker voor het gebed.

Hoe heeft u de weg gevonden in Nederland?

„De eerste strijd die ik heb gevoerd was een strijd in mezelf en met mezelf. Ik was lang een timide jongen. Toen ik op mijn achttiende in de verpleging werkte had ik daar veel last van. Ik was weinig assertief en diep verlegen. Opeens werkte ik met vrouwen, moest ik vrouwen wassen. Als bij ons thuis een man op visite kwam dan werd hij door de gang direct naar de woonkamer geloodst om te voorkomen dat hij een vrouw zou zien. Ik heb dus nooit geleerd met vrouwen om te gaan.”

Hoe leer je dat dan?

„Door naar anderen te kijken. Ik leer altijd door naar anderen te kijken. En het belangrijkste was dat ik het doorhad, ik wist dat ik een probleem had. Ook toen ik alsmaar geen werk kon vinden, wist ik dat het probleem bij mij lag. Ik solliciteerde op alles wat los en vast zat, van marinier tot grafdelver. Als ik maar mijn eigen geld kon verdienen. Ik dacht: nee heb je, ja kun je krijgen – al kende ik die uitdrukking toen nog niet. Ik solliciteerde bij de politie als agent, bij de NS als conducteur en bij het GVB als tramcontroleur. Ik werd afgewezen op basis van een psychologische test. Ik dacht: zo’n test moet toch te trainen zijn.

„Bij de V&D zag ik toevallig in de uitverkoop voor twee gulden vijftig een boekje over solliciteren en sociale vaardigheden. Ik ontdekte de logica van die testen, maar ik ontdekte vooral dat communicatie meer is dan alleen praten. Het gaat ook om hoe je je handen houdt, hoe je kijkt en dat je een kopje koffie niet moet afwijzen, maar moet zeggen: nou graag, lekker.”

U kreeg een baan bij een papierfabriek. Wat had u daar aan dat boekje?

„Tijdens het werkoverleg probeerde ik toe te passen wat ik in dat boekje had gelezen. Ik had altijd een blocnote en een pen bij me. Ik zat rechtop en pal tegenover de voorzitter. Ik maakte altijd gebruik van de rondvraag. Ik probeerde het ongenoegen van mijn collega’s te verwoorden. Dat ging niet vanzelf. Ik moest me daar toe zetten. Ik had een zeer autoritaire chef die ’s ochtends vroeg al begon te schelden. Maar tot verbazing van mijn collega’s werd mijn kritiek niet afgestraft maar serieus genomen. Later bij de politie heb ik dat verder ontwikkeld. Voor veel collega’s waren de lessen sociale vaardigheden de saaiste, zij hadden liever schietles, maar ik vond het zinnig.”

Vijf weken geleden, op 28 mei, overleed Marcouch’ vader. Hij is begraven in zijn geboortedorp Beni Bouyafar aan de kust langs de Middellandse Zee. Marcouch ging met drie broers vooruit om de begrafenis te regelen. Aan de grens werd hij uren opgehouden omdat hij weigerde smeergeld te betalen. Per sms stuurde Marcouch een klacht naar de Nederlandse consul. De kwestie haalde drie Marokkaanse kranten. Enkele weken later schreef hij een artikel op de opiniepagina van de Volkskrant. Wees geen melkkoe voor de Marokkaanse overheid, waarschuwde hij de Nederlandse Marokkanen. En hij riep minister Verhagen (Buitenlandse Zaken) op om de Marokkaanse ambassadeur te ontbieden.

U kwam om uw vader te begraven. U veroorzaakte een politieke rel.

„Ik kan niet tegen onrecht. Dan gaat het hier borrelen.” Hij wijst op zijn buik. „Ik was daar voor andere zaken, dus ik heb me lang ingehouden. Uren heb ik aangezien hoe de rij naast mij wel snel door mocht. Ik heb geïncasseerd. Tot het moment dat die douanebeambte wilde dat ik naar mijn auto ging. Op commanderende toon zei hij: ‘Koffer open. Wat heeft u hier?’ In de achterbak stonden wat tassen met slipjes, sokjes en tandpasta. Meer niet. Toen sprak die douanebeambte een sleutelwoord: douar maana, regel wat met ons. Toen hij dat zei, werd ik...” – Marcouch aarzelt nu, hij kijkt naar beneden – „uh... boos. Ik heb de achterklep dichtgesmeten en gezegd: ‘Wat zegt u? Wilt u mij beledigen?’ Ik schreeuwde het uit. ‘Ik wil nu dat stempeltje.’ De man schrok ervan, hij sprong twee stappen achteruit, de andere beambten kwamen er meteen op af. Ik ging door met schreeuwen. ‘Ik zie wat jullie aan het doen zijn. Schande voor het uniform. Schande voor het beroep. Schande voor het land.’ Toen kreeg ik dat stempeltje. Ze wisten niet hoe snel ze me moesten wegleiden.”

Marcouch moet er om lachen nu.

Had u uw vader niet liever in Nederland begraven?

„Mijn vader was verzekerd bij de Marokkaanse Volksbank. Hij heeft veertig jaar premie betaald om zijn uitvaart naar Marokko te regelen. Die wens moet je vervullen. Maar na die nare ervaring aan de grens vond ik het heel erg om hem daar te begraven. Ik had het gevoel: we laten hem in de steek. Op die begraafplaats kun je aan de graven niet zien wie wie is. Het is daar zo eenvoudig dat je bijna zou denken dat degenen die daar begraven liggen niet vereerd worden. Ik had het er ontzettend moeilijk mee.”

Een groot deel van de bewoners van uw stadsdeel wordt niet in Nederland begraven. Is dat een rem op het integratieproces?

„Ja, je verdeelt je emoties over twee landen. Voor de nabestaanden is het ook moeilijk. Ik ken veel jongeren die nog maar weinig met Marokko hebben. Zij kunnen niet naar het graf van hun vader of moeder. Dat maakt het moeilijk de dood te verwerken.

„Moslims moeten van wieg tot graf Nederlander kunnen zijn. Net zoals er een joodse begraafplaats is, zo zou je ook een islamitische begraafplaats moeten hebben. Ik weet dat de gemeente bezig is geweest om een deel van de Oosterbegraafplaats daarvoor in te richten. Maar tot mijn spijt lijkt dat te stagneren.”

Snapt u de angst van veel Nederlanders voor moslims?

„Daar zit heel veel menselijks in. Het is geen domme haat. Neem mijn eigen geboortedorp. Veel dorpelingen wonen in Europa en verdienen wat geld. Dus laten ze in hun geboortedorp huisjes bouwen. Dat levert werkgelegenheid op voor Marokkanen uit het zuiden. Die Marokkanen uit het zuiden zijn zwart, autochtonen zien hen als een bedreiging. Ze denken: ze zitten op onze terrasjes, ze trouwen met onze meisjes en ze bouwen ook nog huizen voor zichzelf, ze gaan dus blijkbaar niet meer terug. Ik zie daar veel angsten en vooroordelen. Het is een gevoel van vervreemding, dat heeft niets te maken met racisme.”

Is PVV-leider Geert Wilders ook bang?

„Ik denk dat zijn angst voor moslims oprecht is. Als je ziet wat die man allemaal ervaren heeft, vanaf het eerste uur na de moord op Theo van Gogh. Hoe hij en Ayaan in gevangenissen werden beveiligd, de manier waarop hij sindsdien door het leven gaat. Dat doet dan iets met je.”

Gaat de PvdA volgens u goed met Wilders om?

„Wouter Bos is de enige politieke leider die een stevig verhaal heeft over integratie.”

Stevig verhaal?

„Wouter heeft een goed verhaal, hij moet het alleen vaker vertellen. Hij moet het leiderschap van het land op zich nemen. Daarin moet hij niet bescheiden zijn. De PvdA heeft het verhaal dat ons uit de angstimpasse kan leiden. Maar om je boodschap te laten landen, moet je die 1001 keer herhalen. Elke dag, elke keer dat je de kans krijgt. Dat moet Wouter Bos doen. Maar hij niet alleen. Onze fractievoorzitter in de Tweede Kamer [Mariëtte Hamer, red.] zou ik ook vaker willen horen.”

Overtoomse Veld, vrijdagavond 19 juni. De Marokkaanse Ouderen Salon heeft in zijn ruimte in de Piet Mondriaanstraat een condoleancebijeenkomst voor Marcouch georganiseerd. De oudere mannen zitten op fluwelen banken die tegen de muur staan. Marcouch praat op zachte toon met mannen met grijze baarden en witte djellaba’s. Zij waren woedend op de stadsdeelvoorzitter toen hij bij een bezoek aan een homo-suikerfeest het woord ‘moslimhomo’ in de mond had genomen. In hun beleving kan een moslim nooit een homo zijn.

Laten deze mannen zich wel leiden door iemand die zo ver voor de troepen uitloopt?

„Het lijkt allemaal zo vanzelfsprekend dat ik daar zit. Maar die mannen hebben nog nooit ervaren dat ze zo direct met een bestuurder over gevoelige onderwerpen kunnen spreken. Ik voer intense gesprekken met ze over homoseksualiteit. Ik wil dat ze zich realiseren wat het betekent als ouders thuis tegen hun kinderen zeggen dat homo’s erger dan honden zijn. Wat als blijkt dat de leraar op school homoseksueel is, of de huisarts, of de zoon van vrienden? Hoe ga je daar dan mee om? Dan zie je ze nadenken. Met dat idee zijn ze nog nooit eerder geconfronteerd. Dan praten we door. ‘Ja maar, in de Koran staat....’, zeggen ze dan. Dan denk ik: hou dat lekker voor je, dat is je eigen privégeloof. Dus zeg ik: jullie hebben je moskeetje op het August Allebéplein, daar staat tegenover dat anderen in alle vrijheid homo moeten kunnen zijn.”

U bent gescheiden. Denken moslims niet: die Marcouch kan me nog meer vertellen over opvoeden, hij is zelf gescheiden?

„Scheiden is in de islamitische gemeenschap een taboe. Ik kan me voorstellen dat mensen dat zeggen, maar ik hoor het niet. Ik pretendeer ook niet een rolmodel te zijn. Ik ben naar mezelf ook heel kritisch.”

Marcouch was achttien jaar toen hij trouwde, zij was zeventien. Het was geen gedwongen huwelijk, eerder een huwelijk dat door „manipulatie” van de familie tot stand was gekomen. „Je deed daar gewoon aan mee. Je kon niet anders.” Er was een kloof tussen hem en zijn vrouw. Zij sprak de taal niet en wist zich geen raad in de grote stad. Marcouch woonde al acht jaar in Amsterdam. „Ik was bezig met de zoektocht naar mijn identiteit. Welke tradities neem je mee, welke niet?” Zijn vrouw was minder goed in staat om te breken met culturele en traditionele ketens. Ze konden daar samen moeilijk over praten. „Ik voel mij niet vrij om hierover te spreken”, zegt Marcouch. „Het gaat niet alleen over mij.” Met zijn ex-vrouw leeft hij in goede harmonie, zegt hij. De opvoeding van hun drie kinderen, twee zoons van 20 en 16 jaar en een meisje van 8, doen ze samen.

Geeft u uw kinderen een islamitische opvoeding?

„Ik zou niet weten wat dat is. Ik geef ze universele waarden en normen mee. En ik probeer uit te leggen dat je vanuit spiritualiteit goed kan doen. Dat je je rituelen kunt gebruiken om de routine te doorbreken, om kracht te hervinden.”

Maakt u ze ook om zes uur met koffie wakker voor het gebed?

„Als kind kon ik het niet waarderen. Ik vond het een moetje. Maar nu zie ik de schoonheid er van in. Dat je ’s ochtends niet meteen verdwijnt in de hectiek van douchen, ontbijten en wegwezen, maar dat je een moment neemt voor spiritualiteit. Helaas ben ik niet zo gedisciplineerd als mijn vader. Dat zit niet in de aard van het beestje. Ik probeer wel vijf keer per dag mijn gebed te doen. Dat geeft mij kracht. Net als trouwens een rondje hardlopen, zwemmen of een filmpje pakken.”

    • tekstKarel Berkhout
    • Monique Snoeijen beeld Ringel Goslinga