Zie ons, bieten des velds

Woorden op een gloeiende plaat die tsssschhh zeggen. Dat soort woorden zocht Erik Jan Harmens voor zijn bloemlezing poëzie uit de jaren nul.

‘Men in the Cities’, een tekening van Robert Longo (243 bij 152 cm) uit 1981-’87 Uit ‘De kunst van de 20ste eeuw’, Thoth

Ik ben een bijl. Nieuwe dichters uit de jaren nul. Samengesteld door Erik Jan Harmens. Nijgh & Van Ditmar. 144 blz. € 17,50

Ik las een gedicht van een dichter van wie ik nog nooit iets had gelezen: Atze van Wieren. Hij gaf het woord aan een paar doden, zo leek het. Van gene zijde spreken zij ons toe, in de eerste persoon meervoud: ‘Wij zijn te hoop gegooid,/ wij liggen blank en bloot/ en onmiskenbaar dood/ langs smalle, stille wegen.’

Een luguber begin, maar later blijkt dat hier geen mensen aan het woord zijn. Het zijn suikerbieten, ‘gerooid en afgelegd’. Uit een woord als ‘afgelegd’ blijkt wel dat Van Wieren de gedachte aan mensen erin wil houden. Ze treuren om het verlies van hun loof, ‘het loof dat leven was/ en stem van wind en regen.’ Ze hebben geen wortels meer en nu liggen ze daar maar, afgesneden van alles, te wachten op het laatste transport. Zo eindigt het droeve lied van de bieten: ‘Wij wachten op de dichte wagens,/ met dichte wagens worden wij gehaald.’ Het is moeilijk om hier niet te denken: zo vergaat het de mens ook. Zie de mens, hij is als een biet des velds.

Het lijkt een gedicht uit de symbolistische school, tijdloos, vormvast, met een duidelijk emblematische strekking. Verrassend om het aan te treffen in een bloemlezing uit de allernieuwste poëzie, die met zijn titel Ik ben een bijl de indruk wil wekken een opruiende bloemlezing te zijn, Daar horen geen zielige bietjes bij. Nog verrassender: Atze van Wieren blijkt geboren in 1943. Hij is de oudste van alle 45 opgenomen dichters. Hoe kan dat? Samensteller Erik Jan Harmens heeft merkwaardig genoeg niet de beste dichters van na 1998 willen kiezen, maar alleen de beste dichters die na 1998 gedebuteerd zijn. We vinden hier dus geen Nachoem Wijnberg en geen Ingmar Heytze, en ook geen Ruben van Gogh, Peter Ghyssaert, Peter Verhelst, Erik Menkveld of René Huigen, maar wel Atze van Wieren, omdat hij nu eenmaal pas vorig jaar debuteerde, met de bundel Grondstof, bij uitgeverij IJzer.

Slapen

Dan maar eens op zoek naar de jongste dichter. Dat blijkt Lieke Marsman te zijn, geboren in 1990. Zij heeft nog geen bundel gepubliceerd. Zij is opgenomen met een gedicht dat dit voorjaar in Tirade verscheen. Het beschrijft de gedachten van iemand die niet kan slapen en daarom maar nadenkt over de vraag waarom ‘je niet stil/ kunt blijven liggen, ’s nachts’. De uitweiding daarover roept andere uitweidingen op, en dat dertig regels lang. Het eindigt waar het begon, bij weer een nieuwe vraag ‘waarom we nog steeds niet gaan slapen’. Er is weinig dichterlijks aan. Grappig gedicht, filosofische inslag. Het zou van Judith Herzberg kunnen zijn. Niks modieus, niks jeugdigs, niks bijlerigs.

Met deze twee voorbeelden is het opruiende karakter van Ik ben een bijl al enigszins gerelativeerd. Geen nieuwe generatie. Zo nieuw of modern is het allemaal niet. En ook niet zo eenvormig als je op grond van de flaptekst zou mogen verwachten (‘een bloemlezing van tien jaar niet-vrijblijvende poëzie’). Harmens’ keuze uit de debutanten van de laatste tien jaar is grillig. Geen Philip Hoorne, Willem Thies, Vrouwkje Tuinman, Victor Schiferli, Mischa Andriessen, Maarten Inghels, Ester Naomi Perquin, Hanz Mirck, David Troch of P. Kouwes – om er maar eens tien te noemen. Hij koos 45 andere namen, met 90 gedichten in totaal. De versnippering is groot. Er staan hier allerlei soorten dichters en gedichten naast elkaar. Van wild en springerig (Buehler bijvoorbeeld) tot droog en vervreemdend (Boog), van wanhopig en expressief (Belleman) tot geestig en licht (De Roode) en van gek en grillig (Moors) tot gewoon proza (Steyaert). Ook tussen de bekendere namen (Pfeijffer, Nasr, Schaffer, De Jong – opgenomen met vier of meer gedichten) zijn de verschillen nogal groot. Ik kan er niet echt een programma in ontdekken, behalve dan dat Harmens heel in het algemeen een voorkeur heeft voor het wat langere, uit zijn vorm lopende, half filosoferende, half delirerende gedicht. Hij houdt van litanieën, jeremiaden, Whitman – dat soort werk.

Er hoort ook een programma bij, en zelfs een manifest, mede ondertekend door Ilja Leonard Pfeijffer, maar daarvan weet ik niet of het nu serieus bedoeld is of als een parodie op een manifest. ‘Ik wil een bijl’ is een manische aaneenschakeling van tientallen eisen die aan de poëzie gesteld worden. De stijl is beroerd. ‘Ik wil poëzie die op geen enkele manier vrijblijvend is. Ik wil poëzie die zich aan iets committeert. Ik wil poëzie die zich op zijn minst aan zichzelf committeert.’ Ik weet niet wat dat precies betekent, maar ik kan me niet voorstellen dat het zou opgaan voor de dode bieten van Van Wieren, en ook niet voor de speelse nachtgedachten van Marsman. Harmens wil van alles. ‘Ik wil poëzie die zijn maker bij momenten de vinger geeft’, ‘ik wil poëzie die door de mand kan vallen’, ‘ik wil woorden op een gloeiende plaat die tsssschhh zeggen’ en zo nog bladzijden lang door.

Merkwaardig genoeg onttrekt de beste dichter uit deze bloemlezing zich aan dit oeverloze eisenprogramma. En merkwaardig is dat Harmens dat zelf ook vindt. Menno Wigman is als enige opgenomen met zeven gedichten. Hij debuteerde al vóór 1998, maar Harmens heeft voor hem dan maar een uitzondering gemaakt. Aardig is ook dat Wigman inmiddels in een stuk in Trouw zijn schouders heeft opgehaald bij alle pretenties van Harmens. Hij weet wel beter.

Tijdgeest

Wigman wil als een van de weinigen niet behagen. Hij gaat zijn eigen gang. Hij wil, hoe moeilijk dat ook is, uitdrukking geven aan een lastig levensgevoel. Het gaat om angst, beklemming, verveling, schaamte, leegte, impotentie – en hij weet deze persoonlijke gevoelens steeds zo tegen het licht te houden dat het ook portretten van de tijdgeest worden. Hij spreekt voor zichzelf, maar ook meteen voor iedereen – dat is het bijzondere. En hij doet dat dan ook nog eens in goed lopende zinnen en in strakke vormen. Hij is opmerkelijk genoeg de traditioneelste van allemaal. Het kan in deze zeven gedichten gaan over een bezoek aan een demente moeder, over depressie, over onanie achter de pc en de treurigheid van een tuincentrum in Osdorp. Ook over de ellende die er de afgelopen eeuw over de wereld is getrokken. Maar de wereld wil niet altijd doordringen:

En dwars

door alle eeuwen de onpeilbare verveling

van een dinsdag, het licht doet pijn,

de regen zeikt, er kruipen auto’s langs

en dat zal alles zijn.

Met de keuze voor Wigman geeft Harmens zelf al het oordeel over Ik ben een bijl: als bloemlezing en als manifest mislukt, maar er staan een paar goede gedichten in.