Stem een danser weg!

André Gingras maakte een choreografie waarin hij vragen stelt bij idolenverering, met – en dat was al voor zijn dood bedacht – Michael Jackson als voorbeeld. „Vaak is het zo vernederend wat we te zien krijgen.”

Choreograaf André Gingras Andre Gingras Foto NRC H'Blad Maurice Boyer 23-6-2009 Boyer, Maurice

‘Het is erg strak. Ik voel me alsof ik in een condoom zit!” Thomas van Praet, een van de zes dansers in de nieuwe voorstelling van de Nederlands-Canadese choreograaf André Gingras, kan zich nauwelijks bewegen in de hoes van transparant PVC en spiegelfolie. Voorzichtig probeert hij hoever hij tegen het doorzichtige plastic kan leunen. „Het kleeft aan mijn huid”, klinkt het gesmoord.

In een studio van de Kauwgomballenfabriek, de tot broedplaats omgebouwde Maple Leaf fabriek in Amsterdam-Oost, repeteren de dansers van IDORU voor het eerst met het nieuwe decorelement. Het ziet eruit als een kruising tussen een televisiescherm en een doordrukstrip en lijkt als speelruimte inderdaad weinig comfortabel. Gingras houdt de moed erin: „Mooi Thomas! Probeer nog eens wat. Ik heb in een stuk van Robert Wilson drie dagen lang in een vilten condoom van drie centimeter dik gelegen, dus ik heb geen medelijden.”

Enig mededogen verdienen de dansers wel, want IDORU, vanavond te zien in Julidans en volgend seizoen op tournee, is een zware voorstelling. Op de buik van danser Kim Jomi Fischer staan schroeiplekken van het glijden langs de horizontale buizen en zijn armen doen pijn van alle circustoeren. Maar IDORU gaat dan ook over presteren tegen de klippen op, over alles willen geven voor aandacht en roem, over ‘de hedendaagse creatie en aanbidding van idolen’, zoals de flyer van de productie meldt.

„Vorig jaar was ik in China”, verklaart Gingras, gevraagd naar zijn inspiratie voor deze voorstelling. „Het viel me op hoezeer de mensen daar enerzijds nog een sterke band hebben met de natuur, maar anderzijds enorm worden beïnvloed door de commercie. Men is enorm hypegevoelig geworden. Azië is nu veel extremer dan het Westen.”

In Japan maakte Gingras kennis met het fenomeen ‘aidoru’, een volkomen kunstmatig idool, gecreëerd door de massamedia, ter ‘consumptie’ door het grote publiek.

Gingras keek ook naar kijkcijferkanonnen als Idols of So you think you can dance. Dergelijke reality shows hebben model gestaan voor de interactieve opzet van IDORU. Uiteraard ontbreekt in de voorstelling ook de zogeheten eliminatieronde niet, waarin een publieksjury een van de dansers mag wegstemmen. „Wat mensen allemaal bereid zijn te doen, hoe ze hun lichaam als koopwaar aanbieden, in de hoop een ster te worden. Natuurlijk heeft dat ook zijn mooie kanten: die mensen jagen een droom na en dromen is goed. Ik vind de transformatie die mensen ondergaan ook fascinerend. Kijk naar alle fases die iemand als Madonna heeft doorlopen. Maar vaak is het zo banaal, zo vernederend eigenlijk, wat we te zien krijgen. Daar heb ik mijn vragen bij. Hoe ver mag je daarin gaan?”

In de nieuwe voorstelling

fungeert Michael Jackson als het prototype van het volledig leeggezogen idool. Het was dan ook een hele schrik voor Gingras toen de Amerikaanse megaster een week voor de première van IDORU overleed. „Ik wil mijn vragen bij het fenomeen van de idolenverering zo helder mogelijk overbrengen. Nu bestaat het gevaar dat het publiek denkt dat ik Jackson er, als reactie op zijn dood, nog even bij gesleurd heb. Maar wij waren maanden geleden al bezig zijn pasjes in te studeren. Jackson is natuurlijk hét voorbeeld van een tot een commercieel object verworden mens. Van een waanzinnig getalenteerde jongen heeft hij zich getransformeerd tot een oppervlakkig, cosmetisch wezen.”

Tijdens het ‘Michael Jackson-ritueel’ zetten de dansers als in trance een masker op en trekken ze een glitterhandschoentje aan. Op de vloer nemen ze bevallige poses aan – zoals Jackson op de hoes van zijn hitalbum Thriller. Maar ook Jezus Christus, herkenbaar aan een doornenkroon van wasknijpers, maakt zijn opwachting. Zijn act is een erotisch getint nummer, dat model staat voor de vaak grenzeloze smakeloosheid in de hedendaagse reality shows, aldus Gingras.

„Well, well, Spain’s got talent!” sneert Thomas van Praet na het optreden van zijn Spaanse collega annex concurrent Oscar Padrosa. Van Praet heeft tijdelijk de rol van veilingmeester op zich genomen en probeert met wervende teksten de dansers voor de hoogste prijs aan het publiek te verkopen. „Neem je tijd, Thomas”, roept Gingras vanachter de regietafel. „Zorg dat je grappen tijd hebben om te ‘landen’.”

De sfeer in de studio is geconcentreerd. Gingras is beleefd en vriendelijk, maar laat geen twijfel bestaan over wie de leiding heeft. „In de studio hecht ik aan een zekere mate van formaliteit. Ik geloof niet in een democratisch werkproces. Wel vraag ik de dansers om input en daar laat ik ze volledig vrij in. Maar ík bepaal wat erin komt en wat niet. Dat is een van de dingen die ik bij Bob Wilson heb geleerd: hoe ga je met je vak om, hoe ga je met mensen om, welke sfeer wil je creëren? Bob heeft mij de gelegenheid gegeven mijn eigen creativiteit te ontwikkelen. Voordien was ik meer een uitvoerder. Op mijn negenentwintigste was ik toe aan meer dan alleen dansen.”

Gingras (1966) kwam pas laat tot de dans.

Wel wist hij al vroeg dat hij niet, zoals het grootste deel van zijn familie, in de staalindustrie van Hamilton („een echt superlelijke stad”) terecht wilde komen. „Als we met de auto langs de fabrieken reden, zeiden mijn ouders: ‘Als je niet doorleert, moet je dáár werken’.” Dat was voldoende motivatie. Hij ging naar de toneelschool in Montreal. Een voorstelling van de dinsdag onverwacht overleden Duitse choreografe Pina Bausch, vlak na voltooiing van die opleiding, veroorzaakte een epifanie bij de dan 21-jarige Gingras. Hij meldde zich terstond bij de dansacademie van Toronto. „Weet je het wel zeker, vroegen ze, lacht hij, „want ik was wel atletisch, maar dansen? Ik had als tiener alleen wat jazzballet gedaan.”

Zijn komst naar Nederland was min of meer toeval. Nadat hij in 1996 door Bob Wilson als solodanser was aangenomen voor een theaterproject in Berlijn, moest hij enige tijd in Europa overbruggen. Omdat hij in Duitsland niemand kende, logeerde hij enige maanden bij vrienden in Amsterdam, slapend op de bank. „Het leven in Nederland was prettig en bood goede mogelijkheden. Toen heb ik besloten me hier te vestigen.”

Het arbeidersmilieu waarin Gingras opgroeide heeft hem gevormd, ook als kunstenaar. „Onvermijdelijk: wij waren een Franssprekend, rooms-katholiek gezin in het Engelstalige, protestantse deel van Canada, in de politiek zeer woelige jaren zeventig. Er was een separatistische beweging. Als je dan tot een minderheid behoort, word je je vanzelf bewust van sociaal-politieke thema’s.” Daar ligt dus de oorsprong van zijn interesse in actuele, maatschappelijke onderwerpen. In de voorstellingen die hij de laatste jaren maakte, behandelde hij grote thema’s als genetische manipulatie, mondiale migratie, de misstanden in de Abu Ghraib-gevangenis en de maakbaarheid van het lichaam.

Tijdens een pauze in

de Kauwgomballenfabriek liggen de dansers over de vloer uitgestrooid. Eén doet, slaapmaskertje op, een dutje, anderen kneden en masseren het zwaar beproefde lijf. „Ik ben wel sterker geworden”, zegt Margreet Nuijten, die in het laatste jaar zit van Codarts, de moderne-dansacademie van Rotterdam. „Maar ik was altijd al gespierd. Je hebt voor dit werk explosieve kracht nodig. Dat ligt mij wel.” Ook het zangnummer met Kirstine Ilum Sørensen, haar vrouwelijke concurrente in ‘the IDORU experience’, kost haar geen zelfoverwinning. Zang was haar eerste liefde. Sinds april doet Nuijten mee met de speciale trainingen in free running en parkour, ‘urban sports’ waarbij op alle mogelijke manieren op, over, onder en langs obstakels wordt gesprint, gedoken, gesprongen en gebuiteld.

Kim Jomi Fischer had daar al ervaring mee. Hij danste in Gingras’ vorige voorstelling The Autopsy Project en deed als kind aan partneracrobatiek en tissu, een vorm van luchtacrobatiek. „Maar Chinese paal, de circustechniek die we er nu aan toevoegen, is veel zwaarder op je polsen, ellebogen en schouders”, zegt hij. En riskanter: hij moet zich met ware doodsverachting ondersteboven langs de paal naar beneden laten glijden én ervoor zorgen dat het er niet te beheerst uitziet. „Niet zo elegant, Kim”, is het commentaar van Gingras.

Marek Zawalski met zijn fysiek van een Turkse olieworstelaar, moet juist afgeremd worden voor zijn nummertje ‘agression release therapy’, waarin een toeschouwer hem mag pijnigen en vernederen. „Als je zo tekeer gaat, durft straks geen enkele toeschouwer met jou mee het toneel op”, zegt Gingras.

De circustechniek Chinese paal biedt de dansers volgens Gingras de gelegenheid om spectaculaire trucs uit te halen en vlot te manoeuvreren in de hoge buizenstellages op het toneel. Zo kunnen zij zich geloofwaardig als aspirant-idolen presenteren en heeft het publiek iets te stemmen.

In zijn stukken zoekt Gingras altijd naar een bewegingstaal die past bij het thema. CYP17 bevatte bijvoorbeeld breakdance-elementen, als symbool voor het opknippen van de genetische code van de mens in manipuleerbare deeltjes. Voor The Lindenmeyer System, een stuk over mondiale migratiestromen, gebruikte hij juist de organische flow van de Braziliaanse vechtsport capoeira. „Ik ben altijd bezig met het hybridiseren van dans en beschouw het als mijn taak de volgende generatie iets te leren dat verder gaat dan de gecodificeerde stijlen die ze op de opleiding leren.” Het woord ‘taak’ valt vaker in het gesprek. Zo ziet Gingras het als een verantwoordelijkheid van de hedendaagse kunstenaar om zijn licht te laten schijnen over de actualiteit. „Uiteraard zonder dat het een lesje wordt, zonder opgeheven vingertje. Maar je moet relaties leggen met wat er vandaag in de wereld gebeurt, zodat de toeschouwer kan nagaan wat zijn eigen standpunt is. Ik ben niet zo’n fan van dans als puur entertainment.”

Gingras vat zijn taak breed op. Niet alleen is hij, nog wat onwennig, leider van zijn eigen Stichting Gingras, maar hij gaat binnenkort ook op ‘meeloopstage’ met de artistiek leider van het Stuttgarter Ballett, in het kader van het ‘future leaders of dance’ project van de internationale dansdenktank Rural Retreats. „Tot een paar jaar geleden ambieerde ik het leiderschap niet, maar nu wil ik graag iets betekenen voor een groter gebied, niet blijven ronddraaien in een klein circuitje.”

Met bewondering kijkt hij naar de situatie in Frankrijk, waar choreografen wordt gevraagd een artistieke visie te ontwikkelen voor een hele regio en de volledige verantwoordelijkheid krijgen voor de programmering van een zogeheten Centre Chorégraphique National . „In Nederland lijkt men de functies van choreograaf en programmeur onverenigbaar te vinden, terwijl programmeren óók een creatieve taak is. Anders dan in Frankrijk, waar men kunstbeleid zeer serieus neemt, bestaat hier geen erkenning van de kunstenaar als visionair.” Met een ironische grijns: „Misschien speelt mijn ego wel een woordje mee, hoor. Maar ik vind dat je als danskunstenaar de taak hebt verantwoordelijkheid te dragen voor de danscultuur van je gemeenschap. Daar moet je dan wel toe in staat gesteld worden.”

Ook de dansers van IDORU hebben hun verantwoordelijkheden. Zij controleren zelf of alle buizen van de stellages stevig zijn verbonden; een gewoonte die van circusartiesten is afgekeken. Het moet hun een veilig gevoel geven als ze tijdens de voorstelling door het buizenlabyrint denderen. Gingras legt nog even uit waarom hij een bepaalde overgang in de choreografie heeft veranderd. „Voor de veiligheid. Het is mijn taak te voorkomen dat er doden vallen.”

‘Idoru’ is vanavond te zien in de Stadsschouwburg Amsterdam tijdens Julidans. Tournee vanaf 18 september. In De Melkweg is tot 12 juli Gingras’ videoinstallatie Les Commerçants te zien. Inl. www.andregingras.nl

    • Francine van der Wiel