'Schrijvers durven het publieke debat niet aan'

De betekenis van schrijvers en hun werk wordt steeds marginaler, vindt Thomas Vaessens (41), hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Als er niet snel iets gebeurt, sterft de literatuur een wisse dood. Om het tij te keren dienen schrijvers en literatuurbeschouwers het roer totaal om te gooien. Hoe dat moet, beschreef hij in zijn boek De revanche van de roman. Literatuur, autoriteit en engagement, waarmee hij dit voorjaar een bommetje onder het literaire bedrijf legde. Schrijvers en critici noemden Vaessens een populist die zijn oren laat hangen naar de (wan)smaak van de massa.

Thomas Vaessens: ‘We moeten veel krachtiger over literatuur gaan schrijven’ Foto Vincent Mentzel Thomas Lambertus VAESSENS (1967) Hoogleraar Moderne Nederlandse letterkunde. foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Nederland. Amsterdam, 19 juni 2009 Mentzel, Vincent

In uw boek pleit u ervoor dat literaire schrijvers zich engageren met de publieke zaak. Waarom?

„Omdat literatuur een toevoeging kan zijn aan het publieke debat. Ik zeg niet dat schrijvers over de multiculturele problematiek moeten schrijven of over het neoliberalisme of de Europese eenwording. Mij gaat het erom dat de literaire verbeelding een ongelooflijke verrijking is van elk debat. Literatuur moet in het publieke debat resoneren. Gebeurt dat niet, dan wordt literatuur niet langer serieus genomen.”

Literatuur klinkt toch al eeuwen door in de maatschappij?

„Mijn boek behandelt een periode waarin dat helemaal niet gebeurde: de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw. In de statistieken kun je terugzien dat in romans, kritieken, maar vooral ook in de literatuurwetenschap de ideologische, moralistische of ethische dimensie uit de literatuur werd weggefilterd. Politiek, ethiek en moraal werden als niet ter zake doend beschouwd. Men wilde er zijn vingers niet aan branden.”

En de Rushdie-affaire dan? Of de oorlog in Joegoslavië? Daar hebben schrijvers en andere intellectuelen zich toch heftig mee bemoeid. Susan Sontag ging naar het bezette Sarajevo om er met de bevolking Becketts ‘Wachten op Godot’ op te voeren.

„De Rushdie-affaire was een totaal geïsoleerd geval.”

Zijn roman ‘De duivelsverzen’ ging over religiekritiek, uitingsvrijheid en het recht op geloofsafval en werd dermate serieus genomen dat hij met de dood werd bedreigd.

„Schrijvers betoonden zich wel solidair met hem, maar zijn roman werd niet gelezen door de mensen die er boos over waren. In mijn boek betoog ik dat in Nederland schrijvers en literatuurbeschouwers geen morele en politieke discussies aandurven. Als zulke discussies dreigen, zoals onlangs over Alleen maar nette mensen van Robert Vuijsje, trekt de schrijver zich terug met het argument: het is literatuur, dus je mag het niet over de boodschap hebben. Auteurs nemen een cultureel correcte houding aan en dat vind ik zonde.”

Wat bedoelt u met een cultureel correcte houding?

„Toen zwarte vrouwen Vuijsje verweten dat hij in zijn boek een eenzijdig beeld van hen geeft, zei hij: ‘Dat doe ik niet, dat doet mijn personage.’ Daarmee gaat hij de discussie uit de weg.”

Hij is alle debatten waarvoor hij werd gevraagd aangegaan, hij is in talkshows verschenen en heeft talrijke interviews gegeven waarin hij uitlegt hoe hij zich verhoudt tot zijn personages. Wat wilt u nog meer?

„Mijn boek toont aan dat er na de Tweede Wereldoorlog in Nederland een unieke literaire infrastructuur is opgebouwd met literatuuronderwijs, subsidies voor schrijvers, kranten, later ook televisieprogramma’s, die aandacht besteden aan literatuur, terwijl tegelijkertijd het idee dat literatuur er echt toe doet, is weggeëbd.”

Waarom legt u de schuld daarvoor bij de ‘humanistische traditie’, bij docenten en critici als Kees Fens, Jacques Kruithof, Carel Peeters en Ton Anbeek? Zij hebben de literatuur toch juist altijd uiterst serieus genomen?

„Omdat humanistisch georiënteerde literatuurbeschouwers proberen literaire kwaliteit te herkennen op basis van universele criteria. Die positie is in de jaren tachtig en negentig terecht weggevaagd door het postmodernisme. Mensen die desondanks vasthouden aan de humanistische traditie zijn schadelijk voor het literaire debat, ze houden een oorlog gaande die improductief is.”

Woedt die oorlog niet vooral in uw eigen hoofd? Wilt u niet gewoon af van uw eigen anti-humanistische, postmoderne dogma’s?

„Dat klopt. Ik ben begonnen mij met literatuur bezig te houden toen de generatie van hoogleraren als Fens, Sötemann, Gomperts en hun leerlingen maatgevend was. Zij hebben mij het vak geleerd. Tegelijkertijd kwam ik onder de invloed van een jongere generatie postmodernistische literatuurwetenschappers. Zij bestreden de humanisten, omdat die zonder hun vooronderstellingen te expliciteren een literaire canon voorstonden van uitsluitend witte mannen. Daar raakte ik volkomen door van slag.

„Al mijn ideeën over literatuur en de wereld werden onderuitgehaald. Ik koos uiteindelijk voor het postmodernisme, ik gaf me gewonnen, ik was om. Totdat ik er genoeg van kreeg me alleen nog maar politiek en ideologisch met literatuur bezig te houden. En nu ben ik op zoek naar een nieuwe positie, zonder de verworvenheden van het postmodernisme weg te gooien.”

Wat zijn die verworvenheden van het postmodernisme?

„Dat de witte canon is ontwit en dat literatuurbeschouwers zich bewust zijn geworden van hun vooronderstellingen. Ik blijf me verzetten tegen literatuurbeschouwers die weigeren hun eigen literatuurbegrip in heroverweging te nemen, ook als de wereld verandert. En ik blijf critici wantrouwen die zonder hun agenda te expliciteren, menen te kunnen zeggen dat een bepaalde tekst al dan niet van waarde is.”

U wilt dat literatuurdocenten en literaire critici hun ‘agenda’ openbaar maken. Maar als ze nu eens geen agenda hebben, behalve dan de behoefte om uit te dragen welke waarde zij aan literatuur toekennen?

„Natuurlijk hebben ze een agenda! U heeft als criticus toch ook een agenda?”

Volgens mij niet. Ik beoordeel literaire teksten op hun eigen merites zonder ze langs een al dan niet geëxpliciteerde buitenliteraire meetlat te leggen.

„Dan moet u erg oppassen! Op het moment dat er onbewust wordt gemanipuleerd met een tekst is dat gevaarlijker dan wanneer het bewust gebeurt. Ik zeg tenminste eerlijk dat ik een bevangen lezer ben, dat mijn bevangenheid consequenties heeft voor mijn lectuur van een tekst en voor mijn voorkeuren. En dus moet ik die voorkeuren open en bloot op tafel leggen. Dat doe ik in mijn boek.”

Mijn voorkeur gaat uit naar onbevangen critici en docenten die zich niet met het manipuleren van teksten maar met het duiden en genieten van literatuur bezig houden.

„Dus u gelooft echt dat de critici van NRC Handelsblad geen agenda hebben? Dat ze niet op elkaar lijken? Dat ze niet een bepaald soort literatuur de voorkeur geven boven een andere?”

U verlangt blijkbaar terug naar de verzuiling toen er nog een uitgesproken socialistische, katholieke, gereformeerde of liberale literatuurbeschouwing bestond.

„Daar verlang ik niet naar terug, integendeel. Ik wil alleen maar dat iedereen die zich met literatuur bezighoudt, zegt wat zijn vooronderstellingen daarbij zijn. In mijn boek doe ik de mijne uit de doeken. Ik houd van laatpostmoderne romans en als voorbeelden daarvan noem ik, omkleed met argumenten, De literaire kring van Marjolijn Februari, Onze oom van Arnon Grunberg en Koetsier Herfst van Charlotte Mutsaers.”

Laatpostmodern is een kwalificatie die u zelf heeft bedacht en die zoiets betekent als maatschappelijk geëngageerd. En verder is uw agenda dat u tegenstander van de humanistische traditie bent.

„Dat schrijf ik om mijn positie in het debat over literatuur duidelijk te maken.”

Wat is die positie dan precies? Een anti-humanistische?

„Ik ben tegen de humanistische traditie omdat die ervoor heeft gezorgd dat de literatuur zichzelf niet meer serieus neemt. Ik zoek een benadering die literatuur weer relevant maakt.”

Maar hoe is dat te rijmen met uw stelling dat literaire journalisten voor ‘bijlagenlezers’ schrijven. Hebt u liever dat aparte boekenbijlagen worden opgeheven, zoals bij de Volkskrant is gebeurd en eerder bij Het Parool en Vrij Nederland?

„Dat niet, maar als het gebeurt moet je er niet over klagen, dan is het een realiteit die je moet aanvaarden. Bedenk liever wat we er tegenover kunnen stellen.”

In uw boek stelt u er tegenover dat er proefschriften over Saskia Noort geschreven moeten worden, in plaats van onderzoek te doen naar het beste wat er in de wereld gedacht en geschreven is.

„Ik wil inderdaad best ook college geven over Saskia Noort, over chicklit en over andere populaire genres. Dat hoort bij mijn vak. Als ik dat niet doe gaat mijn vak naar de verdommenis, zoals ook al die mooie boekenbijlagen naar de verdommenis zijn gegaan.”

Daarom is u het verwijt van populisme gemaakt, zoals u in een voorwoord bij de tweede druk van uw boek meldt. Is de smaak van het publiek voor u bepalend?

„Het probleem is dat studenten en lezers van boekenbijlagen weglopen omdat ze geen belangstelling meer hebben voor de smaak van culturele elites bij universiteiten en kwaliteitskranten. Dat is empirisch vastgesteld en dat is helemaal niet erg. Eerlijk gezegd vind ik het fantastisch als mensen zich emanciperen van de voorkeuren van een kleine dwingende elite en zelf uitmaken wat de moeite waard is.”

Dan maakt u zich als hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde toch overbodig?

„Integendeel. We moeten juist veel krachtiger over literatuur gaan schrijven en veel krachtiger literatuuronderwijs gaan geven. Krachtiger dan critici als Carel Peeters ten tijde van de Republiek der Letteren in Vrij Nederland, krachtiger dan Jacques Kruithof in het onderwijs en Kees Fens aan de universiteit deden.”

Hoe dan?

„Schrijvers, literatuurwetenschappers en critici moeten zich niet langer verschuilen achter het argument dat het niet de schrijvers zijn die opvattingen over de werkelijkheid verkondigen. Ze moeten er voor uit durven komen dat zij dat zelf doen. Op een literaire, dus complexe manier.”

Dan zijn we terug bij Salman Rushdie en Robert Vuijsje, die zich volgens u niet achter hun personages mogen verschuilen. Mij lijkt de autonomie van literaire teksten en de vrijheid om die niet letterlijk te nemen een groot goed.

„En daarmee maakt u de literatuur dus totaal onschadelijk. Zeggen dat je een schrijver bepaalde uitspraken niet mag aanrekenen omdat literatuur autonoom is, maakt blind voor de politieke en morele implicaties van literatuur.”

Hadden schrijvers als Hermans en Reve volgens u dan moeten worden veroordeeld toen zij werden vervolgd op grond van uitspraken van hun personages?

„Uiteraard moesten zij worden vrijgesproken. Maar de argumenten waarmee de Leidse hoogleraar Neerlandistiek, J.G.Bomhoff, Reve in het beroemde ezelsproces heeft verdedigd vind ik belachelijk. Letterlijk zei hij: als mens en als belijdend christen snap ik heel goed dat Reve wordt aangeklaagd, maar als literatuurwetenschapper niet. Dat is toch een gekke manier om je zelf op te splitsen. Hoe kan je als wetenschapper iets verdedigen wat je als mens verwerpt? Dat begrijp ik gewoon niet.”

Omdat u een humanistische positie afwijst. U zou het moeten toejuichen dat literatuur als een autonome vrijplaats wordt beschouwd, zelfs door belijdende christenen. De imams die een fatwa over Rushdie uitspraken zijn helaas nog steeds niet zo ver.

„Dat mag zo zijn, maar het neemt allemaal niet weg dat de humanistische traditie die de autonomie van de literatuur hoog houdt tot een steriele literatuurbenadering heeft geleid, tot het onschadelijk maken van de literatuur zelf en daarmee tot de afkalving van het literatuuronderwijs en de belangstelling voor literaire kritiek in kranten. Natuurlijk ben ik voor juridische bescherming van schrijvers, maar tegelijk blijf ik ageren tegen schrijvers en critici die zich achter de autonomie van literatuur verschuilen. Ik vind het prettig wanneer schrijvers zeggen: ik neem nu als politicus stelling, ook al gaat dat ten koste van die zo hoog geprezen onafhankelijkheid van de schrijver.”

Waarom vindt u dat prettig?

„Omdat dat goed is voor de literatuur. Als schrijvers in hun literaire werk, dus niet alleen in columns of bij publieke optredens politiek stelling nemen, het maakt niet uit waarvoor of waartegen, maken ze daarmee de literatuur relevant. Daar is het mij allemaal om te doen.”

Zoals u de aanslagen van 11 september 2001 goed vond voor de literatuur omdat die een einde maakten aan het relativisme van de postmodernistische literatuurbeschouwing?

„Ik citeer in mijn boek een column van Michaël Zeeman van die strekking en ook al klinkt het raar vanwege al die slachtoffers: ik was opgetogen dat 9/11 zichtbaar maakte hoe ver van de wereld losgezongen het postmodernistische idee is dat elke overtuiging of elke cultuur evenveel waard is als de andere. Het goede van 9/11 was dat we nu niet meer kunnen zeggen: we hoeven onze eigen cultuur niet zo nodig te verdedigen.”

Er zijn schrijvers en intellectuelen die 11 september niet nodig hadden om te beseffen dat zij humanistische waarden wilden verdedigen, bijvoorbeeld tijdens de oorlog in voormalig Joegoslavië en de fatwa tegen Rushdie.

„Volkomen juist, maar daar gaat mijn boek niet over. In mijn boek zoek ik een strategie om de literatuur, de literatuurbeschouwing, de literatuurkritiek en de literatuurwetenschap te redden van een wisse dood. Ik vecht voor een hele discipline. Als ik dat niet doe worden we weggevaagd. Ik heb een zaak en die zaak, het revitaliseren van de literatuur, acht ik van levensbelang.”

Dit is het eerste deel van een serie interviews met de auteurs van de opmerkelijkste boeken van het afgelopen seizoen. Volgende week: Herman Koch over ‘Het diner’.

    • Elsbeth Etty