Nooit meer weg willen

In een tweewekelijkse serie over boeken die bijna onopgemerkt bleven: de porder van toen en de wekservice van nu

John Landwehr: Hoe men zijn brood verdiende... Honderd negentiende-eeuwse ambachten en beroepen. Uitgeverij Bk 18, 208 blz. € 14,90.

Dit is een boek dat tot twee keer toe niet was wat het leek te zijn. Het zag er uit als een aardig prentenboek, in een handzaam formaat, met oude afbeeldingen van ambachten en beroepen, uit almanakken, ABC-boeken en andere 19de-eeuwse verzamelingen voor de jeugd. John Landwehr zocht bij elke prent een bijpassende tekst, ook uit de 19de eeuw, en hij zette alles in alfabetische volgorde, van aanspreker tot zwavelstokkenmeid.

Je denkt een historisch boek te lezen over verdwenen beroepen als de porder, de oblievrouw, de glaskramer, de broedermeid, de ratelwacht en de kwarrelverkoper. Maar daar was het Landwehr niet om te doen. Hij had er juist plezier in om te laten zien dat er weinig nieuws onder de zon is. En inderdaad: er is niet zoveel verschil tussen wat de porder vroeger deed en de wekservice nu. De oblievrouw is nu een kraslotverkoopster.

Hoe meer ik erover nadacht, hoe meer ik Landwehr gelijk moest geven. Ik loop naar buiten en vind in de brievenbus weer eens een briefje van een Stoelenmatter die zich aanbiedt. Op de stoep word ik bijna omvergereden door een Koerier. Hij rijdt niet meer op een paard, maar hij heeft nog steeds haast (‘Hoepsa, hou daar koerier! Waar vliegt gij zoo wild henen’). Ik hoor getoeter op het kruispunt en zie een geldtransport, voorafgegaan door enkele Voorrijders. Een meisje op straat vraagt mij of ik een van haar baboesjkapoppetjes wil kopen. Ze draagt ze op een plank bij zich, net als de Gipsbeeldjesverkoper vroeger. En voor de supermarkt wordt helaas ook nog steeds het beroep van Liedjeszangster beoefend.

Niks nieuws, dus. Ik zou het boek wel weer weg kunnen leggen, maar dat lukte mij niet. Waarom niet? Het moet wel de merkwaardig intieme sfeer zijn die om deze oude prenten en teksten hangt. Hier is de wereld nog overzichtelijk. De werkelijkheid wordt kalm en geduldig uitgelegd, aan een jong en nieuwsgierig publiek. Ik voelde mij vanzelf weer klein worden en een fris kopje krijgen, boven een pas gesteven buisje. ‘Zie hem zitten! hoe aandachtig / luistert hij naar ’t onderrigt, / en de glans van vergenoegdheid / zweeft hem over ’t aangezicht.’ Alles hangt weer met alles samen en heeft weer een vaste plaats in een ordelijk geheel. ‘Maar wat mag toch de reden zijn dat de postboden steeds het kromme posthoorntje bij zich hebben?’ Het wordt mij helder uitgelegd, bij de prent van de Postiljon. Waar komt het goud en zilver vandaan? ‘Dat wordt uit den grond gegraven. Maar niet in ons land’ ,zo leer ik bij de Pottenkoopvrouw.

Het prentenboek van Landwehr gaat over een wereld die ik nooit heb gekend, maar waar ik toch naar terugverlang. Het is de vanzelfsprekende 19de-eeuwse wereld waarin de Lampenmaker nog gewoon baas Lichtvriend heet. Hij zit ‘lustig’ te werken, en ‘de vergenoegdheid straalt van zijn gelaat, als het licht van eene goede lamp.’ Op de bijbehorende prent staan een paar kinderen in de lampenwinkel aandachtig naar hem te kijken. Ik weet wel zeker dat ik een van die kinderen ben, die met dat blauw-wit gestreepte piccolojasje. Ik wil hier nooit meer weg. Later ga ik ook lichtvriend worden.

John Landwehr: Hoe men zijn brood verdiende... Honderd negentiende-eeuwse ambachten en beroepen. Uitgeverij Bk 18, 208 blz. € 14,90.