Mart Smeets merkt weinig

Als in interviews met hem het onderwerp doping ter sprake komt, krijgt Mart Smeets, het geweten van de Nederlandse wielerjournalistiek, altijd iets defensiefs over zich. Nou ja zeg, is in jóuw wereld soms alles in orde, wordt daar niet geslikt, gesnoven en gesjoemeld, kijk ook eens naar al die atleten, bankiers, zakenmensen.

Onlangs had een tv-interviewer de vermetelheid te vragen of het niet frustrerend was te merken dat je al die jaren als verslaggever allerlei leugens voor zoete koek had aangenomen én doorgegeven aan het publiek. „Zo evolueert de topsport’’, bitste Smeets.

Had hij dan nooit eens wat gemerkt? Ach, wat is merken. Hij was wel eens tijdens de Tour de hotelkamer van Joop Zoetemelk binnengelopen toen die aan een of ander infuus lag. Joop had nog gezegd: „Denk erom, praat er niet over.’’ En ja, wat had hij toen moeten doen, dat zakje vloeistof pakken en aan de dokter geven?

Een échte journalist zou op z’n minst aan een dokter hebben gevraagd wat er in zo’n zakje zou kunnen zitten, maar Smeets keek wel uit. Hij had zo ongeveer zijn halve carrière op de wielrennerij gebouwd en hij had dus wel wat beters te doen, bijvoorbeeld romantische boekjes schrijven over al die helden die de Tour volbrachten op een dieet van biefstuk en wortelsap.

Het moeten ongemakkelijke tijden zijn voor journalisten als Smeets, want het houdt maar niet op, al die verhalen over dopinggebruik in verleden en heden. Het openhartigst was onlangs de Oostenrijkse renner Bernhard Kohl, vorig jaar derde in de Tour, die in interviews vertelde dat iedere goede renner doping gebruikt. „Voor zover ik heb gezien is het niet mogelijk in de top te fietsen zonder doping.”

De kans dat je betrapt wordt, is niet groot, vertelde hij. „Ik ben ongeveer tweehonderd keer getest. Ik had zeker honderdmaal positief moeten zijn, maar ik was het maar één keer.” Hij was er al jong mee begonnen. „Je staat op een kruispunt: wil je kans maken als profwielrenner, dan moet je aan de doping.” Het betekende een dubbelleven: „Liegen hoort erbij (…) Je moet je anders voordoen dan je bent, als je prof wilt zijn.”

Hoe reageerde Smeets op Kohl in zijn column in Trouw? Eerst via de gebruikelijke vluchtweg: „Wij allen liegen namelijk een beetje tot een boel.”

En die Kohl, ach, dat was zelf een ‘kleine leugenaar’, iemand die ‘gevaarlijk bezig is, want hij beschadigt renners (vroegere collega’s van hem) die niet hetzelfde deden wat hij deed’.

Hoe zou Smeets dat zo zeker weten? Hij beweert immers steeds dat hij als buitenstaander niet kón weten wat zich allemaal in de rennerswereld afspeelde?

„We zagen niet wat er gebeurde”, schrijft hij in zijn jongste boekje, Het laatste geel. „We kletsten honderduit, maar naderden nooit de waarheid.”

Intussen gaan de onthullingen gewoon door. Laurent Fignon, Tourwinnaar in 1983 en 1984, geeft toe dat hij destijds amfetaminen en cortisonen gebruikte. „Want toen ik nog fietste, deed iedereen hetzelfde.” Steven Rooks onthult tegenover Smeets dat hij na de Tour van 1989 doping gebruikte. „Als je het niet deed, werd je zoek gereden.” Het laatste dopingnieuws: Thomas Dekker, weer epo.

Wielrennen is een sport voor dopinggezinden geworden. Mart Smeets is de dominee die honderduit kletst.