Jij gaat nooit meer iets winnen

Een slang met armen – dat was journalist Jeremy Whittle volgens Lance Armstrong. Whittle laat zien hoe hij zijn geloof in de Tour verloor.

Col d’Izoard, Tour de France 2006 Foto Patrice Mollet / AP Riders of the pack push up the Izoard pass, French Alps, during the 15th stage of the 93rd Tour de France cycling race between Gap, southeastern France, and L'Alpe d'Huez, French Alps, Tuesday, July 18, 2006. (AP Photo/Patrice Mollet) Associated Press;AP

Jeremy Whittle: Bad Blood. The Secret Life of the Tour de France. Yellow Jersey Press, 234 blz. € 11,95

Michelinkaart 245 (Provence-Côte d’Azur) is smerig en bijna vergaan. Door vet, door koffievlekken en door het tijdens fietstochten gevloeide zweet van de eigenaar, de Engelse sportjournalist Jeremy Whittle. Maar het is een kostbaar bezit, of zou dat kunnen zijn. Want in de kantlijn zijn in maart 1999 aanwijzingen geschreven over hoe een bepaalde buitenwijk van Nice te bereiken. In het handschrift van de man die vier maanden later de Tour de France zou winnen en dat daarna nog zesmaal zou doen: Lance Armstrong.

De openingsanekdote uit Bad blood past perfect in de traditionele wielerliteratuur: het zweet van de lijdende mens, het heldendom van de renner, de devotie voor het object. Wielrennen geldt als een bij uitstek literaire sport, en ook als een uitgesproken katholieke sport.

De inzet van Bad Blood is echter een andere. Whittle wil geen helden bezingen, maar laten zien dat hij zijn geloof in de fietsende helden heeft verloren. Om te beginnen gelooft hij niet meer in Armstrong, de voormalige kankerpatiënt die de Tour de France van 1999 tot en met 2005 domineerde – en die er morgen zijn comeback maakt. Dat doet Whittle in de typerende stijl van de betere Engelstalige sportjournalistiek, en in een aaneenschakeling van mooie en saillante wielerverhalen. Hij voert je mee naar de cokebestoven hotelkamer in Rimini waar Marco Pantani op Valentijnsdag 2004 stierf aan een overdosis, naar de discotheek waar de Britse tijdrijder David Millar met zijn heupen stond te schudden en naar de ondergang van een door het voedselbedrijf van Linda McCartney gesponsord Engels wielerploegje.

Whittle heeft bovendien een missie en een mening, die de anekdotes van hun onschuld ontdoen. Bad blood is een luid protest tegen het dopinggebruik en een aanklacht tegen de machthebbers in de sport die dissidenten de mond snoeren.

Omertà

Whittle noemt het consequent – en een tikje overdreven – de omertà van de wielerwereld. Emblematisch is het lot van de Italiaanse renner Filippo Simeoni. Die getuigde tegen de van het verstrekken van doping verdachte Italiaanse arts Ferrari, met wie ook Lance Armstrong samenwerkte. Niet lang daarna deed hij een poging tijdens een onaanzienlijke Touretappe uit het peloton te ontsnappen. Armstrong sprong er dadelijk achteraan. Niet omdat hijzelf iets te winnen had in die etappe, maar om Simeoni duidelijk te maken dat er voor hem, afvallige, nooit meer iets te winnen viel.

Voormalige renners als Riis en Armstrong worden door Whittle beschreven als exponenten van de verzakelijking van de sport, als mannen die in de eerste plaats weten waar het geld te halen is. Daarmee haalt Whittle het dopinggebruik uit de sfeer van de anekdote – de wielrenner die op zijn kamer met een verbogen kleerhanger een infuus voor zichzelf installeert – naar de wereld waarin de heldere wetten van de centen heersen. Een oud-renner als Riis bekent dopinggebruik niet uit gewetensnood, maar om zijn toekomst in de sport veilig te stellen. Als ploegleider verdient hij nog altijd bakken geld.

Vooral Armstrong was in de laatste jaren van zijn dominantie groter geworden dan de sport zelf. Hij maakte het wielrennen klaar voor de lucratieve Amerikaanse markt en zo voor de wereldmarkt, wat hem een verbond opleverde met de internationale wielerfederatie UCI, die werd geleid door de Nederlander Hein Verbruggen. De UCI treedt volgens Whittle bij lange na niet streng genoeg op tegen doping. De in de jaren negentig genomen maatregel die een limiet stelde aan de hoeveelheid rode bloedlichaampjes in het lichaam van een renner (een hematocrietwaarde van vijftig) kwam volgens hem neer op een de facto legalisatie van epo – zolang een renner de genoemde grens maar niet overschreed. ‘Het is als tegen een dief zeggen dat stelen mag, maar tot duizend euro’, tekent Whittle op.

Slang

Verbruggen, op zijn beurt, vindt de kritische Whittle een typische Brit met een obsessie voor fair play. Dat laatste weten we dankzij een ander sterk punt van Bad blood: Whittle is met iedereen gaan praten.

Voor zover dat ging, want hij stuitte ook op het klassieke dilemma van de wielerjournalist. Hoe méér hij over doping schrijft, hoe minder toegang hij heeft tot de groten van de sport – en dan vooral tot Armstrong en zijn ‘Entourage’. In 1997 interviewde hij de renner nog halverwege een chemokuur, op een moment dat die nog amper kon lopen. Een paar jaar later noemde Armstrong hem ‘een slang met armen’ – een uitdrukking waarvan Whittle zich afvraagt wat de herkomst precies is: een klassieke Texaanse vloek?

Whittle moet dus kiezen. Blijft hij functioneren binnen het systeem, zich nooit helder uitsprekend en de machtigen in de sport het vuur niet te na aan de schenen leggend? Blijft hij op doping betrapte renners het voordeel van de twijfel geven met het oog op later eigen voordeel? Of treedt hij toe tot het kleine groepje sceptici, dat wordt genegeerd op persconferenties, maar dat kan schrijven wat het wil?

Dat dilemma maakt Whittle knap voelbaar, net als zijn woede over de prominente dopinggebruikers die eindeloos procederen om onder hun straf uit te komen. Daar komt zijn uiteindelijke keuze ook uit voort. Als je die nobel wilt uitdrukken, kiest hij voor eerlijkheid en de underdog. Maar even makkelijk kun je het uitleggen als een vlucht in het verleden, naar wat toch al voorbij is. Hij eindigt zijn boek met zoete herinneringen aan wat hij vóór de eporevolutie in de jaren negentig beleefde – het tijdperk waar ook andere wielerschrijvers hun toevlucht toe nemen [zie kader]. Hij besluit Bad Blood met zijn oude helden LeMond, Fignon en Hinault – hij op de bank, zij op een videoband.

Maar ook Whittle weet: dat waren niet de tijden waarin geen doping werd gebruikt; het was de tijd dat dopinggebruik niet zo vaak uitkwam.

    • Arjen Fortuin