Is er wel nieuws onder de zon?

Veranderingen gaan sneller dan ooit. Dat vinden we nu. Maar we vonden het een eeuw geleden ook al, en Philipp Blom illustreert dat met een verhelderend gedachtenexperiment.

De duizelingwekkende jaren van Philipp Blom (Bezige Bij, €34,90) legt paralellen bloot tussen het turbulente begin van de 20ste en de 21ste eeuw, schrijft Bernard Hulsman. n Zie pagina 3

Philipp Blom: De duizelingwekkende jaren. Europa 1900-1914. Vertaald door Toon Dohmen. De Bezige Bij, 530 blz. € 34,90

De 19de eeuw eindigde pas in 1914, luidt een historisch cliché. Er was een ‘Grote Oorlog’ voor nodig om een einde te maken aan vermolmde koninkrijken als het tsaristische Rusland en de Habsburgse dubbelmonarchie en de weg te effenen voor het moderne, 20ste-eeuwse Europa.

De duizelingwekkende jaren. Europa 1900- 1914 van de Duitse historicus en schrijver Philipp Blom (1970), dat vorig jaar in Engeland als The Vertigo Years verscheen, is een grondige afrekening met dit cliché. ‘De moderne wereld was al een feit voordat de eerste Duitse soldaat de Belgische grens was overgestoken’, aldus Blom in het laatste hoofdstuk van De duizelingwekkende jaren. De belangrijkste intellectuele, wetenschappelijke en emotionele veranderingen die het Europa van de 20ste eeuw hebben bepaald, vonden allemaal plaats in de jaren vóór 1914.

En dat waren er nogal wat, zo heeft Blom in de daaraan voorafgaande veertien hoofdstukken laten zien. Zijn veelzijdigheid komt hem goed van pas bij zijn indrukwekkende beschrijving van de eerste vijftien jaar van de 20ste eeuw in Europa – eerder publiceerde Blom onder meer een geschiedenis van verzamelingen en verzamelaars (To Have and To Hold) en van de 18de-eeuwse Franse encyclopedisten (Enlightening the World), een gids van Oostenrijkse wijnen, twee romans en een vertaling van Geert Maks Amsterdam.

Blom schrijft net zo makkelijk over de schilderijen van Kazimir Malevitsj, de scheikundige ontdekkingen van het Franse echtpaar Curie en de opkomst van warenhuizen, als over de schokkende muziek van Igor Strawinsky, de racistische opvattingen van de grondlegger van de antroposofie Rudolf Steiner en de Wereldtentoonstelling van 1900 in Parijs. Alleen Einsteins relativiteitstheorie legt hij op zo’n onnodig ingewikkelde manier uit dat er geen touw aan vast te knopen is.

Om te bewijzen dat de 20ste eeuw in Europa niet pas met WO I begon, nodigt Blom in de inleiding de lezer uit tot een gedachtenexperiment. Dit moet het tijdperk 1900-1914 ontdoen van de schaduw die de oorlog en alles wat daarna kwam, erover hebben geworpen. ‘Stel u voor dat u niets zou weten over de moord in Sarajevo, over de Somme, de beurskrach, de Reichskristallnacht, Stalingrad, Auschwitz, Hiroshima, de Goelag of de Berlijnse Muur, maar dat de geschiedenis zich na de millenniumwisseling kalm in het menselijk geheugen had genesteld.’

Het resultaat van Bloms experiment is een beschrijving van de eerste jaren van de 20ste eeuw die in veel opzichten op het begin van de 21ste lijkt. ‘Niet in het minst vanwege hun open karakter: in 1910 en zelfs in 1914 had niemand een duidelijk idee hoe de toekomst eruit zou zien, wie de macht zou hebben, welk politiek stelsel dominant zou worden, of welk soort samenleving uit de onstuimige veranderingen tevoorschijn zou komen.’

Na deze opmerking is het onmogelijk om De duizelingwekkende jaren te lezen zonder voortdurend vergelijkingen te maken met de huidige tijd. Bijna dagelijks krijg je als krantenlezer ingepeperd dat digitalisering, mondialisering, klimaat- en kredietcrises enzovoorts zorgen voor snellere en grotere veranderingen dan ooit tevoren. Maar is het ook wáár?

De moderne man wordt steeds onzekerder, zo lees je regelmatig in lifestyle-bijlagen. Dit zou komen doordat er tegengestelde eisen aan hem worden gesteld. Een beest in bed moet hij zijn, maar ook een zorgzame vader en zachte echtgenoot. Maar de man was een eeuw geleden ook al onzeker, legt Blom uit in het hoofdstuk over het jaar 1908 – elk jaar heeft een hoofdstuk met een eigen thema. Dat kwam onder meer door de suffragettes die vrouwenkiesrecht eisten en radicale feministes als de Duitse Anita Augspurg (1857-1943) die het huwelijk als slavernij beschouwden. ‘Het huwelijk en seksualiteit, vrije liefde, homoseksualiteit, geboorteplanning en abortus: alles werd ter discussie gesteld in traktaten, toespraken en debatten, alsof Nietzsches herwaardering van alle waarden slechts een kwestie van tijd was.’

De grote onzekerheid van de Europese man had, onder heel veel meer, twee gevolgen. Veel mannen beklemtoonden hun mannelijkheid door het dragen van snorren en door elkaar voortdurend uit te dagen voor duels. Nooit eerder duelleerden mannen zo vaak om hun eer als in het begin van de 20ste eeuw, aldus Blom.

Andere mannen kregen juist ‘vrouwelijke’ zenuwziekten en waanvoorstellingen, die soms leidden tot gruweldaden. Zo vermoordde de Zuid-Duitse dorpsleraar Ernst August Wagner in 1913 eerst zijn vrouw en vier kinderen en schoot hij later, nadat hij drie liter melk had besteld voor de volgende dag en rustig een pul bier had gedronken, met zijn Mauser nog acht dorpelingen dood. ‘Neurasthenie’ was in het Europa van een eeuw geleden een ware volksziekte die vooral mannen trof.

Of neem een verschijnsel als terreur. De beginjaren van de 21ste eeuw heten het tijdperk van de War on Terror, maar het aantal slachtoffers van terreur in het Europa van de afgelopen jaren valt in het niet bij dat van honderd jaar geleden. In Rusland werden om de haverklap aanslagen gepleegd op ministers en hoge ambtenaren – Blom spreekt van 70.000 slachtoffers van terreur, alleen al in Rusland.

En wie denkt dat de wereld pas een dorp is geworden sinds de doorbraak van internet, heeft het mis. Persfoto’s en kranten zorgden een eeuw geleden ook al voor een verkleining van de wereld, beweert Blom, ‘en verleenden een dwingend karakter aan realiteiten die soms zo ver weg speelden dat het net zo goed sprookjes hadden kunnen zijn’. Hetzelfde geldt voor reizen. Veel moderne Europeanen gaan nu een weekje met vakantie in Thailand, maar honderd jaar geleden veranderden spoorwegen ‘kuststeden die een generatie eerder nog onbereikbaar ver weg hadden geleken, in populaire vakantiebestemmingen voor de massa’s’.

Zo gaat het maar door. Vreemdelingenhaat? Honderd jaar geleden was in veel Europese landen een virulent antisemitisme heel gewoon. Seksualisering van de samenleving? Sint-Petersburg telde een eeuw geleden zo’n 50.000 prostituees, dat wil zeggen: 1 hoer op 10 mannen. Genetische manipulatie? Het wemelde toen in Europa ook al van ‘eugenetische’ verenigingen die pleitten voor een verbetering van het menselijk ras door bijvoorbeeld de minder bedeelden te steriliseren of te doden. De populariteit van retro-architectuur? Het verlangen naar een geïdealiseerd, eenvoudiger verleden als reactie op de razendsnelle modernisering deed zich ook al een eeuw geleden voor. Ook toen tierden neostijlen welig.

Er zijn weinig aspecten van het politieke, sociale, culturele en dagelijkse leven van de Europeanen die Blom niet behandelt in De duizelingwekkende jaren. Hij begint bij Louis Blériot die in 1909 als eerste over het Kanaal vloog, behandelt dan de toenmalige technische verbeteringen van auto’s, locomotieven en fietsen, gaat vervolgens even in op de superieure Duitse techniek dankzij het goede onderwijs, legt daarna kort uit waarom Henry Ford zulke goede en goedkope auto’s kon maken en eindigt met de verheerlijking van snelheid door Italiaanse en Russische futuristen.

Zo is Bloms boek net zo duizelingwekkend geworden als de jaren die het beschrijft. Soms vliegt de auteur uit de bocht. Over een affiche van de Oostenrijkse kunstenaar Gustav Klimt beweert hij bijvoorbeeld dat het lege beeldvlak een provocatie was aan het adres van de Weense middenklasse die zo verzot was op salons vol snuisterijen en ornamenten. Maar als Klimt natuurlijk iets níet was, dan was het anti-ornamentalist. In veel van zijn schilderijen zijn menselijke figuren juist overwoekerd door krullen en versieringen. Dit laatste verklaart ook waarom Klimt de best betaalde Oostenrijkse kunstenaar van zijn tijd was, zoals Blom een paar keer vermeldt. Zijn schilderijen pasten juist goed in de Weense salons.

Ook op zijn grenzeloze bewondering voor Sigmund Freud, een sleutelfiguur in De duizelingwekkende jaren, valt wel iets af te dingen. Blom windt zich op over het gebrek aan erkenning voor de Weense psychiater in zijn eigen stad. Hij kreeg er slechts een bijzonder hoogleraarschap aangeboden. Achteraf gezien was die ‘miskenning’ geheel in lijn met de criteria voor wetenschappelijk onderzoek die een andere Wener, Karl Popper, later zou formuleren. Volgens hem kan Freuds werk onmogelijk wetenschappelijk worden genoemd en valt het hoogstens in de categorie geniale speculaties.

Op de vraag of de veranderingen een eeuw geleden sneller en groter waren dan nu, geeft Blom uiteindelijk geen antwoord. Wel laat hij overtuigend zien dat al in het begin van de vorige eeuw het ‘moderne’ levensgevoel heerste, met onzekerheid en fragmentatie als belangrijkste kenmerken. Ook speculeert hij niet over hoe het begin van de 21ste eeuw zal eindigen. Of de huidige duizelingwekkende jaren op eenzelfde grote kladderadatsch zullen uitlopen als die van honderd jaar geleden, kan hij de lezer niet voorspellen. Net zoals de Europeanen in de jaren 1900-1914 niet wisten dat hun een rampzalige oorlog stond te wachten.

    • Bernard Hulsman