'Ik wil kinderen een kans geven'

Met wat stiften en papier op zak vertrokken Jos van der Hoek en Jelka Priem vorig jaar augustus naar Indonesië.

Met de verkoop van T-shirts ondersteunen ze een school.

(Foto Bob van der Vlist) Vlist, Bob van der

„Ik vond dit best spannend”, zegt Jos van der Hoek (30) tegen het einde van ons gesprek. Inmiddels leunt hij ontspannen achterover.

We praten over de stichting Face This, die Van der Hoek en zijn vriendin Jelka Priem vorig jaar hebben opgericht. Met de verkoop van een bijzondere T-shirtcollectie willen ze een noodlijdende school in Indonesië financieel ondersteunen. „Op het eerste gezicht geen uniek concept”, zegt Van der Hoek, „maar wel als je de schoolkinderen de shirts zelf laat ontwerpen.” Met dit idee plus een handvol stiften en papier vertrok het stel vorig jaar augustus naar Indonesië. Via een vriendin kwamen ze daar in contact met een leraar van een kleine school in de bergen van Lombok, ongeveer anderhalf uur lopen vanaf het plaatsje Senggigi.

Jos van der Hoek: „Met de auto of motor kun je er niet komen. Na twee uur lopen – wij deden er wat langer over dan de gemiddelde Indonesiër – was ik totaal uitgeput. Een paar kinderen haastten zich de bomen in om een kokosnoot te plukken, zodat ik wat kon drinken. Dat was redelijk genant. Daarna hebben we het gebouw bekeken en met de leraren besproken wat ze nodig hadden. In 2002 hebben bergbewoners alle materiaal zelf de berg op gebracht en het gebouw daar van de grond getild. Elektriciteit was er niet. Destijds had het schooltje 36 leerlingen, inmiddels zijn het er tweehonderd, die in noodgebouwen worden ondergebracht. Die zijn gemaakt van palmbladeren, dus in het regenseizoen blijft er niets van over.”

Zelf kom je oorspronkelijk ook uit Indonesië.

„Ja, toen ik twee maanden oud was ben ik geadopteerd en van Jakarta naar Nederland gekomen. Ik ben er altijd van doordrongen geweest hoe bevoorrecht ik ben. Nu wil ik iets terugdoen.”

Voel je je verantwoordelijk?

„Nee, maar ik voel me wel verbonden met de kinderen daar. En dat is het niet alleen. Ik vind gewoon dat kinderen, waar ook ter wereld, goed onderwijs moeten kunnen krijgen. Dat zal ik wel van mijn adoptieouders hebben. In het begin dacht ik trouwens dat zij het moeilijk zouden vinden dat ik zo veel met mijn geboorteland bezig ben, maar het tegendeel is waar. Ze vinden het helemaal te gek. Logisch, want het komt overeen met hun idealen. Voor mijn ouders was het krijgen van eigen kinderen geen prioriteit. Ze wilden liever iets doen voor de weeskinderen die er al op de wereld waren gezet. Kinderen uit ontwikkelingslanden worden vaak een beetje zielig neergezet, maar in principe dragen ze hetzelfde potentieel in zich als de westerse jeugd. Het ontbreekt ze gewoon aan de mid-delen.”

Hoe was het om terug te zijn in Indonesië?

„Vreemd. In 2006 ben ik voor het eerst gegaan. Ik kende het land alleen van foto’s en filmpjes. Het eerste wat me opviel, op het vliegveld al, waren de straatkinderen. Zo had ik ook kunnen zijn, dacht ik meteen. Mijn Nederlandse ouders waren altijd heel open over mijn adoptie, maar als kind was ik er nooit zo in geïnteresseerd. Toen ik elf was vroegen ze: wil je met vakantie naar Disney World of naar Indonesië? Ik wilde naar Disney World. Gaandeweg ben ik me iets bewuster geworden van mijn achtergrond. Maar ik hoef mijn biologische ouders niet te leren kennen. Mijn moeder heeft me vlak na de bevalling ter adoptie in een weeshuis achtergelaten. Ze was toen twintig, geloof ik. Ik heb die gegevens wel ergens, maar ken ze niet uit mijn hoofd. Over mijn vader weet ik niets. Waarschijnlijk was ik een buitenechtelijk kind. Ja, zo loopt het leven nu eenmaal. Mijn Nederlandse ouders hebben me altijd gestimuleerd om contact met mijn Indonesische familie te zoeken, maar ik ben teruggegaan om het land te zien, niet om mijn verwekkers te vinden. Want wat als ze dan ineens voor je staan? Wat moet je dan?”

Heb je nooit problemen ondervonden van je adoptie?

„Doel je op de verhalen over adoptiekinderen die zich niet kunnen hechten en daardoor gedragsproblemen krijgen? Ik heb daar totaal geen last van gehad. Mijn thuis was in Brielle, een klein stadje onder Rotterdam. Je weet wel, waar de Geuzen tijdens de Spaanse bezetting in 1572 voor het eerst zijn binnengevallen. Ik voel me heel Nederlands. Als kind was ik heel bescheiden. Mijn zusje, die ook uit Indonesië komt, was altijd degene die bij de slager om een plakje worst vroeg en dan zei: ook voor mijn broer, hoor! Ik stond daar dan een beetje onnozel op de achtergrond. Later, op de middelbare school, was ik zoals de meeste tieners: lui. Bij sommige werkgevers – ik was onder meer tekstschrijver bij Ben, werkte bij Dance Valley en bij een pr- en fotopersbureau – vond ik het wel eens moeilijk om gemotiveerd te blijven. Maar nu ik mijn stichting heb werk ik ongeveer vijftig uur per week en ik krijg daar ontzettend veel energie van. Jammer dat ik hier niet eerder aan begonnen ben, denk ik weleens. Ik had altijd wel veel ideeën, maar miste daadkracht. Pas toen ik Jelka ontmoette, heb ik die ideeën vorm kunnen geven. Zij is lerares op een Montessori-basisschool en is van nature iemand die graag anderen helpt. Met Jelka ontwikkelde ik het plan om het onderwijs in Indonesië te ondersteunen. In 2007 hebben we al wat Indonesische scholen bezocht en ontstond het idee om kinderen zelf tekeningen te laten maken. Tekeningen van allerlei gezichten, die dan op T-shirts zouden worden geprint.”

Hij laat een aantal shirts uit de tweede Face This-collectie zien. De eerste driehonderd shirts waren in een paar maanden uitverkocht.

Maar ik zie vooral bloemetjes, beestjes en poppetjes.

„Ja, het was de bedoeling dat de kinderen gezichten met verschillende emoties zouden tekenen, maar dat is niet helemaal gelukt. Het was al moeilijk genoeg om ze überhaupt een gezichtje te laten tekenen. Het gaat om kinderen van een jaar of negen die niet gewend zijn om veel te tekenen. De school bezit geen materialen en besteedt vooral aandacht aan taal, rekenen, zang en dans. Dansles zonder muziek, heel raar. Uiteindelijk heeft Jelka een tekenles gegeven, en dat leverde wat op. Het belangrijkste was dat die kinderen zelf een grote bijdrage zouden leveren aan het project. Zo helpen ze zichzelf, maar ook de leerlingen die na hen komen. Daarnaast vinden ze het gewoon ontzettend cool om hun eigen T-shirtlijn te hebben.”

Hoeveel heeft de verkoop tot nu toe opgebracht?

„We hebben op dit moment ongeveer vijfduizend euro. Dat is nog niet zoveel, maar eind 2009 denken we het volledige lesmateriaal te kunnen kopen en een nieuw schoolgebouw te financieren. De schoolleiding bepaalt zelf wat ze precies nodig hebben en hoe ze dat aanschaffen. Wel gaan we zelf deze zomer alvast wat les-materiaal kopen, maar alles in overleg. Eind 2010 hopen we met een nieuwe collectie te komen, uit een ander ontwikkelingsland: misschien Zuid-Afrika, of Vietnam. Unicef meldt dat het redelijk goed gaat met het realiseren van de millenniumdoelen op het gebied van onderwijs, maar dat schooltje waar wij waren had echt helemaal niets. Ik heb de indruk dat het geld niet terecht komt bij scholen in afgelegen gebieden. Wat wij doen blijft natuurlijk een druppel op de gloeiende plaat, maar het is íets; mijn ouders hebben kinderen geadopteerd, Jelka en ik proberen ze nu op onze manier een kans te geven.”

    • Jente Posthuma