Ik ben een spons in een bad verhalen

Het is niet goed voor me. Ik weet het. Toch blijf ik het doen. Ik blijf geloven dat het ergens toe kan leiden, al kan ik geen moment aanwijzen in het verleden waarop dat werkelijk zo is geweest. Tegen het advies in van de jongen die mijn laptop geregeld moet redden, open ik alle e-mail. Dat blijf ik doen, omdat ik juist van onbetrouwbare bronnen de meest intrigerende, cryptische boodschappen ontvang. Dat ze vermoedelijk door een computerprogramma met virusintenties zijn ontstaan, neem ik op de koop toe. ‘On a cloud I saw a child’ heet het korte bericht dat de mij onbekende Mara Leary stuurde. „Follow me he said, and on the barren heath/ I was struck – I may be wrong –”

Ook alle post die mij via de brievenbus bereikt, lees ik. Zelfs reclamefolders, uitnodigingen en buurtkrantjes pluis ik uit. Je weet nooit wat voor opmerkelijke zinnen of verhalen je erin vindt.

Een vriend heeft mij eens voorzichtig gevraagd of ik verslaafd ben aan lezen. Hij zei dat ik er anders uitzie wanneer ik een stapel post verslind. Gulzig en onbereikbaar. Het is waar dat ik in een roes terechtkom wanneer ik veel verschillende gegevens snel in me opneem. In mijn hoofd ontstaat een kluwen van specificaties, overzichten en bijschriften. Ik lees over schoonmaakmiddelen en de zorgen van een soldaat die een kameel doodschoot in Uruzgan. Ik lees dat ik om de hoek voor 17 euro zoveel sushi kan eten als ik wil en dat er tijdens een expeditie naar de afgelegen Nangaritza-vallei een zeldzame glaskikker is gevonden. Ik lees over tafelbergen, sabelsprinkhanen, koffiefilters, opstanden en een nieuwe manier om de Tachtigers te benaderen.

De leesroes is het meest volkomen wanneer ik geen onderscheid maak tussen de soorten informatie die ik in me opneem. Kwalificaties als bruikbaar, goed geschreven, belangrijk sluit ik tijdelijk uit. Ik ben een spons in een bad verhalen. Ik ben in opperste staat van verrukking zolang de verschillende bronnen en perspectieven zich aaneenrijgen in mijn hoofd tot een groot blikveld waarvandaan ik de wereld – hoe tijdelijk ook – kan overzien.

Het verzadigingspunt is bereikt wanneer ik niet goed meer kan lezen omdat ik misselijk ben, alsof ik te veel heb gegeten. Ik overzie niets en word verpletterd onder de verhalen. Ik voel me klein en onmachtig tegenover alles wat er in de wereld gebeuren moet.

Ik heb geprobeerd hier een antwoord op te vinden. Omdat ik weet dat ik geen letters kan weerstaan zodra ze bij me in de buurt liggen, heb ik besloten alles wat binnenkomt, meteen terug te geven. Met groot genoegen zit ik bij de brievenbus te wachten op de postbode. Zodra hij er iets doorheen gooit, wurm ik het terug. Tot enkele dagen geleden bleef hij terugduwen, maar nu weet hij dat dat tevergeefs is. Na het bezorgen van een brief houdt hij zijn hand op, zodat ik hem de post netjes terug kan geven.

De jongen die vanmorgen mijn brievenbus vol stortte met reclamefolders, slaakte een gil toen ik de stapel in cellofaan verpakte, schreeuwerige aanbiedingen terugwierp. Ik gluurde door de brievenbus en zag hem tot mijn vreugde een sprong maken toen ik hem een krantje nasmeet.

Het mooiste is een voorbijganger te verrassen door een envelop langs zijn benen te doen dwarrelen. Het is alsof de werkelijkheid zich verslikt wanneer de ene na de andere envelop uit de brievenbus tevoorschijn komt.

maria barnas