Een ster in taartjes kopen

Deze zomer vertoont het Filmmuseum de films van de Franse acteur Alain Delon. „Delon behoort tot de sterren die wel een gezicht, maar geen lichaam hebben.”

Alain Delon in ‘L’Eclisse’ (1962) van Michelangelo Antonioni still

Alain Delon en Romy Schneider. Twee mensen die iets onmenselijks hebben. Vroeger zouden ze vergeleken zijn met goden of engelen, straks misschien met robots. Nu zijn ze nog vlees en bloed, maar toch vooral gefilmd vlees en bloed. Dat feit, die tegenstrijdigheid, levert de spanning op die echte goden of robots saai maakt. Acteurs, allebei, samen te zien in, bijvoorbeeld, Plein Soleil (1960), hij in de hoofdrol, zij een paar seconden uncredited in beeld als vriendin van, maar in ieder geval achteraf toch adembenemend. Ze ontmoetten elkaar op de set van Christine, een kostuumfilm uit 1958, uitgekomen een jaar na de laatste Sissi-film, en in die ondertreffende trap die het leven is, werden ze ook een paar. Of was het leven voor hen wel overtreffend? En hoe moet je je zoiets voorstellen? Delon en Schneider samen in een slaapkamer, met elkaar doend wat de toeschouwer niet kan, strelen met meer dan ogen, die mond niet bewonderen maar kussen.

Romy Schneider is al lang dood. Alain Delon leeft nog. Maar als ster is ook hij al lang dood. Je zou zelfs kunnen zeggen dat hij nog eerder gestorven is dan Schneider. Reisde het licht maar langzamer, dan had zijn neergang ons nog niet bereikt; dan was hij in onze ogen nu nog maar net als in Plein Soleil of Rocco e i suoi fratelli of Il gattopardo of L’eclisse of Mr. Klein of Le samouraï. Maar Delon is dichterbij dan Proxima Centauri; de snelheid van het licht verklapt zijn verval vrijwel meteen. Kijken naar Delon is na 1980 zoeken naar een eerdere Delon; is het er nog, dat gezicht uit Le cercle rouge, Zorro, Borsalino, uit tijdschriften, talkshows, theateraffiches? Rimpels, wallen, een vermoeide blik; bedekken ze slechts het gezicht van toen of hebben ze het vernietigd?

Delon is waarschijnlijk een van de laatste sterren die nog in zwart-wit beroemd zijn geworden, ook al speelde hij zijn meeste films in kleur. Hij speelde sinds 1957 in bijna honderd films, maar vooral het begin is onvergetelijk; hij heeft er de rest van zijn carrière op kunnen teren. Op moeten teren, misschien wel; of hij het nou leuk vond of niet.

In de bioscoop is Delon nog steeds jong, kan hij elke keer weer beginnen op een terras in Rome of een trein in Milaan. Hoe langer zo’n begin geleden is, hoe gekker dat eigenlijk is. Dankzij de film kunnen we honderd jaar in het verleden terugkijken, maar niet tweehonderd. Wel de Eerste Wereldoorlog, niet Napoleon. Wel een Romeins terras in 1960, geen Weens café in 1860.

Het aantal mensen op wie je verliefd kunt worden is dankzij film enorm uitgebreid; niet alleen geografisch, door letterlijk en figuurlijk afstanden te overbruggen, en mensen te tonen die je van zijn leven niet zou kunnen ontmoeten, maar ook historisch. Verliefd op een gezicht uit 1960 of zelfs 1920; dankzij film is het mogelijk. Evolutionair gezien is het verspilde moeite. Jude Law (1972) of Zac Efron (1987) zou je in het echt nog tegen kunnen komen. Die spanning is al aan het vervagen bij Delon (1935), al verkoopt zijn naam nog steeds parfum, overhemden en sigaretten, vooral in Azië.

Sois belle et tais-toi

is de titel van een Franse film uit 1957. Volgens sommige bronnen was het Delons debuut, volgens anderen de tweede film waarin hij een rolletje had. Ik geloof de sommigen liever dan de anderen omdat het zo’n passende naam is voor zijn eerste film. Wees mooi en zwijg. Natuurlijk slaat de titel op een vrouw – Delon had maar een klein rolletje in de film, net als Jean-Paul Belmondo. Maar ook dat is wel gepast. Delons schoonheid heeft iets vrouwelijks (hij is in ieder geval niet het type bodybuilder) of iets dat doorgaans meer met vrouwen geassocieerd wordt. De associatie gaat daar eigenlijk nog bovenuit: schoonheid wordt bij mensen meestal gezien als iets vrouwelijks. Een mooie man is een anomalie. Nou ja, dat is overdreven, maar schoonheid is bij mannen ondergrondser dan bij vrouwen, zeker in de tijd dat Delon beroemd werd. Zulke associaties laten zich slechts moeilijk verdrijven ook al wist je de eerste keer dat je ze hoorde al dat ze onzin waren. Melk is goed voor je. Godverdomme is een vloek. Vrouwen die acteren zijn hoeren. Mannen die acteren zijn vrouwen.

Delon werd in de jaren zestig wel de mannelijke Brigitte Bardot genoemd. Of de Franse James Dean. Instructieve vergelijkingen. Zo keken ze vroeger naar hem. Wat zou je nu moeten zeggen? De Franse Nicole Kidman? Zo blond en porselein als zij is hij niet, maar wel zo koel. En ze hebben allebei dat gekke dat hun gezicht, dat toch zo geciseleerd lijkt, vanuit elke hoek zo anders is dat je je even moet concentreren om te beseffen dat een nieuw shot dezelfde persoon onder de loep neemt. Delon ziet er en face heel anders uit dan en profil. Zoiets zorgt ook voor spanning in de bioscoop; hoe kan een neus die van voren zo scherp lijkt van de zijkant een bobbel hebben?

Delon werd ontdekt zoals je dat eerder verwacht van een vrouw, op het strand in Cannes tijdens het filmfestival. Als een echte starlet, al had hij geen borsten om mee te pronken en viel het met zijn sixpack ook wel mee. Delon behoort nog tot de sterren die wel een gezicht, maar geen lichaam hebben; dat dient slechts om een strak pak of een regenjas te vullen. Maar dat doet het dan weer wel heel goed: de Hongkongse regisseur John Woo liep in de jaren zestig in hippie-achtige gewaden. Tot hij Delon in Le Samouraï zag en hij overstapte op zwarte pakken en witte overhemden.

Delon werkte als ober in een café in Parijs, waar hij bevriend raakte met een aantal acteurs. Hij vergezelde in 1957 actrice Brigitte Auber en/of acteur Jean Claude Brialy naar Cannes. Daar werd hij gespot door de rechterhand van de Amerikaanse producent David O’Selznick die hem een contract voor zeven jaar aanbood, mits hij Engels leerde. Terug in Parijs ontmoette Delon regisseur Yves Allégret die hem overtuigde in Parijs te blijven met een aanbod voor een rol in Quand la femme s’en mêle.

Delon heeft zijn schoonheid

altijd als een vloek gezien, althans, dat beweert hij wel eens in interviews. Zijn rollen lijken er in ieder geval vaak op gekozen dat ze een contrast creëren tussen uiterlijk en innerlijk. Het kalos kai agathos van reeds de oude Grieken, de innige band tussen het schone en het goede, wordt in Delons films vaak ruw verscheurd of op een onverwachte manier hersteld.

Neem bijvoorbeeld Plein Soleil van René Clément, de film waarmee hij doorbrak. Plein Soleil is een Franse verfilming van Patricia Highsmiths roman The Talented Mr. Ripley, die in 1999 onder die naam verfilmd werd door Anthony Minghella. In deze versie speelt Matt Damon een arme Amerikaan die een rijke Amerikaan vermoordt en diens identiteit overneemt. De rijke Amerikaan wordt gespeeld door Jude Law, een acteur die tien jaar geleden minstens zo mooi was als Delon in 1960. Daarom nam ik aan dat Delon in Plein Soleil net als Law later de rijke Amerikaan zou spelen. Dat is niet zo.

In de Franse film speelt Delon de rol die Matt Damon in de Amerikaanse versie speelt. Dat lijkt bij deze beschrijving uit het boek van Highsmith wel te passen: „Altijd al beschouwde hij zijn gezicht als ’s werelds saaiste gezicht, een gezicht om te vergeten.” Damon strookt wel deze beschrijving uit het boek van Highsmith voorstellen; Delon niet. Ook schoonheid kan de moraal van een verhaal kleuren, blijkt uit deze rolbezettingen. Delons Ripley lijkt recht te hebben op het leven van de rijke Amerikaan juist omdat hij zo mooi is. Bij Matt Damons Ripley is jaloezie een grotere drijfveer en wordt de film eerder een strijd tussen een have-not en een have, of tussen sluwe intelligentie en de arrogantie van rijkdom.

Alleen in Rocco en zijn broers van Visconti (ook uit 1960) is er van spanning tussen het goede en het schone geen sprake. Daar is Delon een kalf, dat zich van zijn schoonheid nog niet bewust lijkt. Briljant is de scène in de stomerij, waarin alle vrouwen die daar werken door hem vertederd worden. En hij begrijpt het niet. Maar ook hier speelt uiteindelijk Delons nog onnozele schoonheid een rol in het verhaal: die maakt hem af als heilige; die vervolmaakt hem.

Het is jammer dat Delon in 1971 veel te oud was om de jongen in Visconti’s Dood in Venetië te spelen. „God is in feite de schepper van de schoonheid van de mens, en de mens ontheiligt deze schoonheid”, schreef Thomas Mann in het boek. Je zou die zin als een samenvatting van Delons carrière kunnen zien. Of zelfs van zijn leven.

Delon specialiseerde zich als acteur in gangsters en in de werkelijkheid had hij banden met de onderwereld. Later raakte hij bevriend met de extreem-rechtse politicus Jean-Marie Le Pen en ging hij op verkiezingstournee met de Russische generaal Lebed. Het heeft zijn populariteit niet aangetast bij de mensen die al van hem hielden, al zijn de gangsters voor de meesten waarschijnlijk makkelijker te verteren dan de politici – gangsters hebben voor mensen die van film houden meer cachet.

De belangrijkste gangsterrol

die Delon gespeeld heeft, is die in Le samouraï van Jean-Pierre Melville, een film uit 1967. Delon vond zelf Le cercle rouge en Un flic beter, allebei ook van Melville, maar dat doet er nu niet toe; de toon werd gezet met Le samouraï. Verhaal heeft de film weinig; het lijkt soms wel een documentaire over de manier waarop Delon een sigaret rookt of een hoed opzet. Het past bij met Delons opvatting van acteren. Met method acting lijkt hij niet veel op te hebben. Les heeft hij nooit gehad. Het enige wat hij geleerd had, was worst maken. In een interview zegt hij over de allereerste scène die hij ooit opnam dat hij bij een banketbakker een taartje moest kopen. Dat deed hij en hij voelde zich meteen als een vis in het water.

Misschien is dat zijn speciale talent, dat hij deelt met een aantal acteurs, maar niet met alle. Sommige mensen kunnen goed zingen, andere goed rekenen of worst maken en weer anderen goed taartjes kopen als er een camera op ze gericht is. Melville buit dit talent ten volle uit: de hele film is eigenlijk Alain Delon die een taartje koopt, ook al is de acteur in deze film een huurmoordenaar.

In de plot, die er natuurlijk wel is, speelt een pianiste uit een nachtclub een belangrijke rol. Valerie ziet Delon vlak voor hij de eigenaar van de nachtclub vermoordt. Het is een scène die minuten lijkt te duren. Valerie kijkt en kijkt naar Delon. En kijkt. Verder gebeurt er niets. Later in het verhaal wordt Valerie opgeroepen als getuige. Ze moet Delon identificeren tussen allerlei andere mannen met regenjassen en hoeden die de Parijse politie heeft opgepakt. Hij springt eruit, maar ze zegt dat ze hem niet herkent.

Waarom doet ze dat? Het blijft een raadsel. In commentaren op de film wordt vaak gezegd dat Valerie een engel des doods is, of de dood. Ze heeft geduld; ze laat hem nog even leven voor ze hem moet halen.

Er is ook een andere lezing mogelijk. Met Valerie heeft het publiek zich de film in weten te wurmen. Het staart. Zulke schoonheid verraad je niet.

Alain Delon retrospectief. T/m 26 augustus in het Filmmuseum in Amsterdam, waar ook een expositie over Delon te zien is. Inl. www.filmmuseum.nl.‘La Piscine’ draait nu in de bioscoop.