Een levenslange non-conformist

I.F. Stone was populair bij de protestgeneratie wegens zijn kritische stukken over de oorlog in Vietnam. Visionair was hij ook.

American Radical (Giroux, €25,95) van D.D. Guttenplan is een met vaart geschreven biografie van de eigenzinnige journalist I.F. Stone, vindt Ronald Havenaar. n Zie pagina 11 D.D. Guttenplan: American Radical. The life and times of I.F. Stone. Giroux, 570 blz, € 25,95.

D.D. Guttenplan: American Radical. The life and times of I.F. Stone. Giroux, 570 blz, € 25,95.

De Amerikaanse journalist I.F.Stone (1907-1989) was tijdens de jaren zestig van de vorige eeuw dankzij zijn kritische stukken over de interventie in Vietnam een held van de protestgeneratie. Vooral zijn debunking publicaties over de gehate voorlichtingsmachine van het Pentagon bezorgden hem faam. Met zijn eenmansbedrijf I.F. Stone’s Weekly manifesteerde hij zich als pionier van een bijzondere onderzoeksjournalistiek. Hij haalde zijn informatie vooral uit openbare bronnen, zoals gepubliceerde regeringsdocumenten, niet zelden afkomstig van hetzelfde Pentagon. Die stukken moesten, aldus het vermaarde recept van Stone, van achteren naar voren gelezen worden: de essentiële inlichtingen zaten meestal verstopt in de aanhangsels.

Ondanks zijn populariteit, zo blijkt uit American Radical, de biografie van D.D. Guttenplan, voelde dwarse ‘Izzy’ zich in het opstandige tijdperk van de sixties nauwelijks thuis. Niet alleen zijn leeftijd – in 1967 werd hij zestig jaar oud – was een beletsel. Hij gruwde van de ongepolijste omgangsvormen die bij de ontketende counter culture hoorden. De opkomende New Left grossierde volgens hem in politieke wereldvreemdheid. Maar het ergste was dat het progressieve studentenvolk zijn geschiedenis, klassieken en vreemde talen niet kende. In de ogen van Stone was het non-conformisme van de protestgeneratie een vorm van politieke correctheid die stoelde op ignorantie en een tekort aan politiek realisme.

I.F. Stone werd in 1907 geboren als Isidoor Feinstein. Zijn vader was vier jaar eerder het Rusland van de antisemitische pogroms ontvlucht. Al voor zijn 20ste raakte Izzy verslingerd aan het krantenbedrijf. Een journalist moest volgens hem zijn ogen open houden, over een flinke belezenheid en een stevig oordeel beschikken, maar beslist geen politieke agenda hebben. Dat standpunt was opmerkelijk voor een man die zijn leven lang ook politieke activist was. Guttenplan, die als medewerker verbonden is aan het Amerikaanse opinieblad Nation, besteedt in zijn met veel vaart geschreven biografie uitvoerig aandacht aan dit deel van Stone’s leven. Dat is begrijpelijk, omdat er nog weinig over bekend was. Maar die ruime belangstelling heeft het nadeel dat de publicaties van Stone, die hem tot een figuur van aanzien maakten, in de verdrukking komen.

In de jaren dertig werd Stone een gepassioneerde propagandist van een links radicalisme met een eigenzinnige inslag. Thomas Jefferson wees hij aan als de aartsvader van zijn sociale utopie. Maar ook de idealen van de Russische revolutie waren voor hem te mooi om los te laten omdat Stalin niet deugde. Hoewel Stone dat laatste al snel onderkende, werd hij fellow traveller. Pas toen de opvolgers van Stalin in 1956 met militair geweld een einde maakten aan de opstand in Boedapest, raakte ook Stone uitgedroomd over de rol van de Sovjet-Unie als progressieve kracht.

Tijdens de anti-communistische witch hunt kwam hij begin jaren vijftig onder vuur te liggen. Zijn grote vijand was J. Edgar Hoover, directeur van de FBI , de politiedienst die door Stone consequent werd aangeduid als Washington Gestapo. Hij werd geschaduwd, zijn telefoon werd afgeluisterd en steeds meer bladen weigerden zijn bijdragen. Daarom begon hij in 1953 I.F. Stone’s Weekly. De vier pagina’s die het krantje telde, schreef hij elke week zelf vol. Het begin was moeilijk, maar aan het eind van de jaren vijftig had het blad 20.000 abonnees. Tien jaar later waren er dat bijna 70.000.

Stone mocht dan in de jaren vijftig worden belaagd worden door het conservatieve establishment, hij verloor ook toen zijn open geest niet. Dat bleek bijvoorbeeld uit zijn oordeel over Richard Nixon, die hij al in zijn vizier had toen deze ambitieuze Senator aan het begin van de jaren vijftig zijn partij meeblies in de jacht op communisten en fellow travellers. De angstaanjagende grimas van Nixon, die vice-president werd onder Eisenhower, deed Stone denken aan een begrafenisondernemer die een vaste klant feliciteerde met alweer een sterfgeval in de familie. Maar dat oordeel belette Stone niet om in I.F. Stone’s Weekly te voorspellen dat alleen een calculerende en gewetenloze opportunist als Nixon in staat zou zijn de betrekkingen met de communistische machthebbers in Moskou en Peking te normaliseren. Dat is precies wat Nixon begin jaren zeventig als president zou doen.

Al evenzeer in afwijking van de heersende trend had Stone al snel een negatief oordeel over een politieke held van de jaren zestig, Fidel Castro. Een half jaar nadat Castro in 1959 op Cuba de macht had gegrepen, maakte Stone een reis naar het eiland. Hij gaf blijk van zijn waardering voor de sociale revolutie die van de grond leek te komen. Maar al in 1961, toen duidelijk werd dat Castro geen tegenspraak duldde, concludeerde Stone dat Cuba een dictatuur in Sovjetstijl was geworden.

Sinds de oorlog in Korea (1950-1953) oordeelde Stone gereserveerd over de mogelijkheid van succesvolle Amerikaanse interventies overzee. Hij prees de Republikeinse president Eisenhower, die een einde maakte aan deze oorlog door genoegen te nemen met een wapenstilstand. De conservatieve ‘Ike’ was in de ogen van Stone een fatsoenlijke en verstandige man, die weigerde om troepen naar Vietnam te sturen. De interventie in dat land begon begin jaren zestig op initiatief van de Democratische president Kennedy, die volgens Stone vol ongeduld was om zijn betrouwbaarheid als anti-communist te bewijzen.

Stone voorspelde al eind ’63 dat deze militaire operatie, gericht tegen een guerrillabeweging die behalve communistisch ook nationalistisch was geïnspireerd, op een fiasco moest uitlopen. Het zou nog tien jaar duren voordat de Amerikaanse regering zich bij dit resultaat neerlegde.

In 1971, inmiddels 64 jaar oud, stopte Stone met zijn Weekly. Hij ging door met het schrijven van zijn ook in Nederland veelgelezen bijdragen voor de New York Review of Books. Daarnaast begon de als student gesjeesde Stone met de studie Grieks. Hij schreef bovendien nog een boek, zijn tiende, ditmaal niet over een politiek-actueel onderwerp. The Trial of Socrates werd een internationale seller. Maar zijn echte passie bleef de politieke actualiteit. Op zijn sterfbed in juni 1989 waren zijn laatste woorden: ‘What’s going on in China?’