'De hele zit in inrichting mijn hoofd'

In het Rijksmuseum zullen straks geschie-denis en kunst samen getoond worden. Ook de twintigste eeuw komt aan bod. Toch vertelt het museum niet de geschiedenis van Nederland, zegt Taco Dibbits, directeur collecties.

Taco Dibbits in het restauratie-atelier van het Rijksmuseum Foto Vincent Mentzel Drs T.D.W. (Taco) DIBBITS (1968 ) Directeur Collecties van het Rijksmuseum in Amsterdam. Hier gefotografeerd in het restauratie atelier van het Rijksmuseum. foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Nederland. Amsterdam, 19 juni 2009 Mentzel, Vincent

Zijn voorkeur verandert weleens, zegt Taco Dibbits, maar van alle kunstwerken uit de collectie van het Rijksmuseum is nu De Staalmeesters van Rembrandt zijn favoriete schilderij: „Je ziet vijf staalmeesters van het Amsterdamse lakengilde en hun bediende, allemaal in zwarte pakken met witte kragen, om een tafel. Bij dit schilderij is het net of je een deur hebt geopend en de verkeerde kamer binnenloopt. Die mannen kijken je aan met een blik van: wat komt u hier doen? Rembrandt was een meester in het weergeven van verschillende gemoedstoestanden van mensen en dit is zo’n levensecht schilderij dat het me emotioneert. Je staat hierbij echt oog in oog met de zeventiende eeuw.”

Taco Dibbits (40) werkt sinds 2002 in het Rijksmuseum, eerst als conservator zeventiende-eeuwse schilderkunst, daarna als hoofd van de afdeling Schilderijen en vanaf voorjaar 2008 als directeur Collecties. Zijn kamer in de ‘directievilla’ kijkt uit op de achterkant van het museum. Door de ramen dringt het kabaal van betonstorters en graafmachines. Dibbits: „Al dat geruis, gebonk en getimmer klinkt mij als muziek in de oren. Het betekent dat er eindelijk voortgang zit in de verbouwing.”

In 2003, een jaar nadat hij hier als conservator begon, ging het Rijksmuseum dicht, op de Philipsvleugel na, waar deze jaren de topstukken worden getoond. De heropening van het museum was gepland voor 2008, het wordt nu op zijn vroegst 2013. Met alle vertragingen, kostenoverschrijdingen en problemen met de aanbesteding, moet de verbouwing voor de staf van het museum zo langzamerhand een nachtmerrie zijn. Op papier is de inrichting van het Rijksmuseum klaar, tot en met de plaats van de duizenden stopcontacten in de tachtig zalen van het museum. De vitrines zijn uitgekozen, Dibbits weet precies welk schilderij waar komt te hangen, hij kent de plaats van elk beeld en elk voorwerp: „De hele inrichting zit in mijn hoofd.” Maar hij moet nog jaren wachten. Raakt zijn geduld en dat van de dertig conservatoren zo langzamerhand niet op? En hoe vullen zij hun tijd, nu het museum zo lang grotendeels dicht is?

Glimlachend zegt Taco Dibbits: „Ja, dat wordt mij vaak gevraagd: wat doen jullie nu? Maar dit is een unieke periode voor de conservatoren, we hebben tien jaar de tijd voor onderzoek naar stukken uit onze collectie, zodat we het publiek straks goed kunnen informeren. Heel lang was de trend: het museum moet een ervaring zijn, een ‘experience’. Maar ik vind overdracht van kennis belangrijk, al klinkt dat misschien ouderwets. Mensen komen niet alleen naar het museum om mooie dingen te zien, maar ook om wat te leren.”

Hij slaat met zijn hand op de cassette met twee dikke boekwerken die op tafel ligt. „Dit is het eerste deel van onze bestandscatalogus, over alle Nederlandse schilders geboren tussen 1570 en 1600. Elk schilderij is gefotografeerd en technisch onderzocht en de herkomst is opnieuw getraceerd. In totaal worden het vier delen voor de zeventiende eeuw. Dit is een enorm project, waar zeven mensen jarenlang aan werken. Maar we zijn ook bezig met het inventariseren en in beeld brengen van de hele modecollectie. We organiseren reizende tentoonstellingen buiten Europa, we hebben meegewerkt aan exposities in Nederlandse musea en we houden eenmaal per jaar een tentoonstelling in de Philipsvleugel, zoals komende winter De kleine ijstijd met schilderijen en tekeningen van Hendrick Avercamp. We zitten dus niet stil.”

En ja, zegt hij, de lange verbouwing en alle tegenspoed hebben natuurlijk hun weerslag gehad op de sfeer onder het personeel. „De conservatoren zijn van alles aan het bestuderen en ze willen de resultaten naar buiten brengen, maar grote tentoonstellingen maken en bijbehorende catalogi, dat kan nu niet. Ons geduld wordt wel op de proef gesteld. Je wilt je passie voor kunst toch het liefste delen met het publiek. Maar toen in mei bekend werd dat de aanbesteding rond was en de bouw begon, zag ik hoe er weer nieuwe energie kwam. Gezien de omstandigheden vind ik het eigenlijk ongelooflijk hoe goed de sfeer in het museum is, en elke keer ben ik weer verbaasd over de motivatie en het doorzettingsvermogen van mijn medewerkers.”

Veel zinnen die Dibbits uitspreekt, beginnen met de woorden: „Ik denk dat”. Zo zegt hij: „Ik denk dat ik al vroeg een passie voor kunst had, als kleuter was ik al geobsedeerd door plaatjes. Ik verzamelde stripverhalen, ik wilde niet lezen, alleen plaatjes kijken en nog altijd, als ik bij de tandarts zit, wil ik alle tijdschriften met plaatjes doorkijken.” Maar ook de meest stellige beweringen beginnen steevast met deze aarzelende woorden.

Er zijn nog een paar termen die hij vaak in de mond neemt, zoals het woord ‘objecten’. Steeds weer hamert hij er op dat in een museum alles draait om de objecten: „Ik heb in het Rijksmuseum altijd gezegd: je moet bij de opstelling uitgaan van de objecten. Dus niet in een tekst op de muur een verhaal over de Verlichting vertellen en daar plaatjes bij zoeken. Straks, in het nieuwe Rijksmuseum moet elk object een eigen zeggingskracht hebben, en niet ondergeschikt zijn aan een groter verhaal.”

En dan is er het woord ‘verleiden’: de objecten die het museum toont moeten, zoals Dibbits herhaaldelijk zegt, het publiek ‘verleiden’. Maar waarom is dat nodig, het gaat er toch om dat een museum toont wat het zelf belangrijk vindt? Dibbits: „Dat is hetzelfde. Wij moeten de dingen die wij belangrijk vinden zo presenteren dat het publiek ze ook belangrijk gaat vinden. Zo verleid je het publiek. Bij aankopen speelt het ook een rol, bijvoorbeeld bij het schilderij van Gerrit Berckheyde, De bocht van de Herengracht, dat we vorig najaar hebben verworven. Door die witte vlakken in het schilderij, het felle palet en diepblauwe lucht is het een werk met een zekere tijdloosheid en een soort abstractie die mensen aantrekt.”

Taco Dibbits groeide vlakbij

het Rijksmuseum op, zijn hele jeugd fietste hij onder het museum door, eerst naar de lagere school, later naar het Montessori Lyceum. Na zijn eindexamen werd hij ingeloot voor de studie industrieel ontwerpen in Delft, maar het liep anders: „Ik was pas 17 en wilde niet meteen gaan studeren. Ik heb toen aan drie musea een brief geschreven, aan het Rijksmuseum, het Amsterdams Historisch en het Teylers Museum, met de vraag of ik daar mocht werken. Het Teylers zei: kom maar, en ik heb daar toen vier maanden mogen rondkijken en meewerken aan een expositie.” Omdat hij „gefascineerd was door de Italiaanse kunst” bracht hij de rest van het jaar door in Italië om daar de taal te leren. Nadat hij in Amsterdam en Cambridge zijn studie kunstgeschiedenis had afgerond met een scriptie over zestiende-eeuwse Italiaanse tekeningen, ging hij terug naar Italië, waar hij meewerkte aan verschillende exposities en catalogi. Dankzij een beurs kon hij een jaar aan de slag in het Getty Museum in Los Angeles en vervolgens werkte hij een paar jaar in Londen bij veilinghuis Christie’s als directeur van de schilderijenafdeling Oude Meesters.

Hoewel hij er bescheiden over vertelt, klinkt de internationale carrière van Dibbits als één ononderbroken successtory. Tot begin vorig jaar, toen bekend werd dat niet hij, maar Wim Pijbes na het vertrek van Ronald de Leeuw de nieuwe hoofddirecteur van het Rijksmuseum zou worden. In een televisiedocumentaire die onlangs werd uitgezonden, noemde Dibbits het hoofddirecteursschap ‘een droombaan’, hij zei: „Ik denk dat ik een goede kandidaat ben”, en hij verborg zijn teleurstelling niet toen later bleek dat de droombaan vooralsnog aan hem voorbijging.

Nu zegt hij: „Ja, ik had het er even moeilijk mee, ik ben een weekeind naar mijn buitenhuisje gegaan en heb de tuin omgespit. Maar als het gebeurd is, is het gebeurd. Wim Pijbes is als hoofddirecteur verantwoordelijk voor het geheel en ik als directeur Collecties voor alle kunstwerken en andere objecten, voor de restauraties, het onderzoek, het beheer en de aankopen. Ik ben blij met deze functie, ik sta wat dichter bij de kunst dan als hoofddirecteur. Soms gaan de dingen anders dan gepland, maar is het goed zoals het gaat. Er is ook een soort ritme in je leven, ik ben nu net vader geworden, van een zoon, Percy.”

Hij legt uit dat Pijbes en hij ‘elkaar goed aanvullen’: „Ik heb me altijd met kunstwerken en collecties beziggehouden en Wim, die nu ook verantwoordelijk is voor de museumpresentaties, meer met tentoonstellingen.” Op de vraag of er door de komst van Pijbes veel veranderd is in het museum antwoordt hij: „Wim is erg open, toegankelijk en communicatief, dat heeft de sfeer wel veranderd.” En, na enige aandrang: „Zijn voorganger Ronald de Leeuw was vanaf zijn 35ste directeur, eerst van het Van Goghmuseum, toen het Rijksmuseum, hij was heel lang gewend om andere mensen te vertellen wat ze moesten doen. Dus ja, de structuur is onder Pijbes minder autoritair geworden.”

Binnen het Rijksmuseum bestonden tot voor kort gescheiden afdelingen voor schilderkunst, glas, aardewerk, zilver, meubelen, geschiedenis enzovoort. Die organisatie weerspiegelde zich in de museuminrichting, met aparte zalen voor historische voorwerpen, voor zilver, glas of schilderijen. Nu is de organisatiestructuur veranderd en zijn er nog maar drie afdelingen: Beeldende kunst, Geschiedenis en het Prentenkabinet. Het nieuwe museum zal alle genres niet meer afzonderlijk tonen, maar meer gemengd, in een chronologische en thematische opstelling die op de bovenste verdieping eindigt bij de jaren zeventig van de twintigste eeuw. Geschiedenis en kunst worden dus bijeengebracht, al blijven er een aantal kabinetten en zalen gewijd aan de schilderkunst, zoals de Nachtwachtzaal en de Eregalerij, die ‘de glorie van de Gouden Eeuw’ toont. Dibbits: „De Japanner die een half uur de tijd heeft en alleen de zeventiende-eeuwse Hollandse meesters wil zien, kan daar aan zijn trekken komen. Maar het is niet zo dat we de tweederangs schilderijen gaan mengen met historische voorwerpen. In alle zalen laten we het allerbeste en allermooiste uit onze collectie zien.”

Hij vouwt een plattegrond van het museum uit en begint enthousiast te vertellen over de inrichting van de zaal over Nederland en de zee in de zeventiende eeuw: „In het midden komt het grote model van het oorlogsschip de William Rex uit 1698, hier komen voorwerpen uit het bezit van Michiel de Ruyter, aan de wanden de prachtige penschilderijen van zeeslagen die Willem van de Velde I voor admiraal Cornelis Tromp maakte, met daarbij het wapenrek van Tromp en het ontwerp voor zijn grafmonument. Dit vormt een samenhangende groep objecten, maar we willen ze zo tonen dat je ook apart voor één ding kunt gaan zitten wegdromen. Dus niet zo dat het wapenrek een gevecht aangaat met een schilderij, je moet ze afzonderlijk kunnen waarderen.”

Het Rijksmuseum wil

met deze opstelling niet de hele Nederlandse geschiedenis vertellen, het gaat ook niet uit van een canon van de belangrijkste gebeurtenissen uit ons verleden. Dibbits: „We gaan uit van onze collectie en daarin zijn niet alle aspecten van onze geschiedenis even goed vertegenwoordigd. Het Rijksmuseum vertelt dus niet de geschiedenis van Nederland, maar van de voorwerpen die het bezit. Ons verleden is ook zo divers dat je het niet in één verhaal kunt vatten.”

Toch lijkt het niet denkbeeldig dat de opstelling zal concurreren met het Nationaal Historisch Museum dat, als niet alles spaak loopt, in Arnhem zal verrijzen. Of dit nieuwe museum zelfs helemaal overbodig maakt. Dibbits ziet dat gevaar niet: „Het Nationaal Historisch Museum heeft geen eigen collectie, het heeft een andere grondslag, het zal sterk educatief gericht zijn. Het concept van dat museum is nog in wording en ik wacht af wat ze daar gaan doen. Ik vind dat de politiek zich op afstand moet houden, en dat museum de tijd moet geven om het concept verder te ontwikkelen.”

Anders dan vroeger komt in het Rijksmuseum straks ook de twintigste eeuw aan bod en op dit gebied wordt nu actief verzameld. Dibbits: „Nu we in de eenentwintigste eeuw zijn beland vind ik dat we de museumbezoekers ook een selectie moeten tonen van kunst en geschiedenis uit de twintigste eeuw. Dat brengen we bijeen door schenkingen, bruiklenen en aankopen, net als bij de andere eeuwen. Als je vraagt: waarom kopen jullie een schilderij van Karel Appel, het Stedelijk Museum heeft toch al veel werk van Appel, dan is mijn antwoord: het Rijksmuseum geeft een overzicht van kunst en geschiedenis door de eeuwen heen, het is geen gespecialiseerd museum. We kopen ook Frans Hals, hoewel het Frans Hals Museum in Haarlem dat eveneens doet, of Utrechtse Caravaggisten, net als het Centraal Museum in Utrecht. Bij de twintigste eeuw beperken we ons tot Nederlandse kunstenaars of buitenlandse die hier hebben gewerkt en belangrijk waren voor de Nederlandse kunst. We gaan voorlopig niet verder dan de jaren zeventig, we tonen geen hedendaagse kunst of geschiedenis. En doordat er dus enige afstand is in de tijd kunnen we een soort second opinion geven over de kunst van de vorige eeuw. We moeten een inhaalslag maken, maar dat doen we rustig, we verzamelen alleen de hoogtepunten uit de twintigste eeuw, als we niet het beste kunnen krijgen, doen we het niet.”

In 2005 kocht Ronald de Leeuw

voor het Rijksmuseum een vroeg werk van Piet Mondriaan, een schilderij van een molen bij maanlicht, uit 1903, geen topwerk van Mondriaan. Dibbits, diplomatiek: „Laat ik het zo zeggen, die molen zou niet mijn prioriteit hebben gehad bij de aankopen. Bij Mondriaan verwachten mensen een abstract werk, dus ik zou liever proberen een bruikleen te krijgen van een ander museum. Maar we hebben nu bijvoorbeeld net een beeld van Carel Visser aangekocht uit de jaren zestig dat de kern van zijn oeuvre vormt en destijds nog getoond is op de Biënnale van Venetië. En we hebben van Jan Toorop het Portret van mevrouw De Lange uit 1900 aangekocht, waarvan ik meteen vond: dat moeten we doen. Zij was een interessante, feministische vrouw die zich bezighield met reformkleding. Daar zoek je naar: schilderijen of objecten die van hoog artistiek niveau zijn en ook een interessant historisch verhaal in zich hebben.”

In de jaren negentig verhuisde de rijkscollectie Nederlandse fotografie uit de negentiende eeuw naar het Prentenkabinet van het Rijksmuseum. Daar wordt nu recentere fotografie aan toegevoegd. Dibbits: „Maar alleen vintage prints, oorspronkelijke drukken. Verschillende Nederlandse musea tonen laserprints van originele foto’s, maar het Rijksmuseum zal dat niet doen. Alles wat wij exposeren moet authentiek zijn. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor het twintigste-eeuwse design. We kopen in principe alleen unica, geen massaproducten.”

De videokunst, die pas na de jaren zeventig opkwam, wordt door het Rijksmuseum nog niet verzameld. In het museum is nu wel een discussie gaande over de vraag hoe het moet omgaan met ‘bewegend beeld’, een belangrijk onderdeel van de kunst en geschiedenis uit de vorige eeuw: „Een van de oudste stukjes film die we in Nederland hebben toont de inhuldiging van Wilhelmina in 1898. Willen we dat verwerven, nemen we het in bruikleen, tonen we het op zaal? Maar daar willen we alleen originele stukken laten zien en het origineel van dat filmpje kun je niet afdraaien, dat is te kwetsbaar. Bij de Andy Warholtentoonstelling toonde het Stedelijk Museum vorig jaar Warhol-films waarbij het geratel van 8 mm-films door de speakers klonk. Maar het was wel digitaal geratel. Ik begrijp die keuze van het Stedelijk, maar digitaal geratel laten horen, nee, dat zal ik in het Rijksmuseum nooit doen.”