Blowen vraagt regels

Gemeenten bestrijden op eigen manier de uitwassen van het gedoogbeleid.

De overheid had eerder en harder moeten optreden, zegt de commissie-Van de Donk.

Net als roken en drinken is blowen in Nederland niet meer vanzelfsprekend. Terwijl het kabinet geen dringende maatregelen neemt, worden op lokaal niveau in razend tempo de teelt, de verkoop en het gebruik van softdrugs ingeperkt.

Een commissie onder leiding van CDA’er Wim van de Donk, die het kabinet gisteren adviseerde, bepleit een strakkere regie van het gedoogbeleid. De „veelheid van lokale initiatieven” behoeft een „helder, landelijk” beleid. „De wissels hadden veel eerder moeten worden verzet”. De effecten van het gedoogbeleid zijn „gierend uit de hand gelopen”.

De commissie stelt voor om coffeeshops kleinschaliger of besloten te maken, om het onderscheid tussen softdrugs en harddrugs opnieuw te bezien. Ook zouden alleen volwassenen alcohol mogen kopen.

De commissie stuurt aan op meer repressie, ook al wordt ruimte geboden aan tot nu toe voor het kabinet onbespreekbare onderwerpen, zoals experimenten met gereguleerde productie en aanvoer van cannabis naar besloten coffeeshops. Ook zouden gemeenten ruimte moeten krijgen om coffeeshops een handelsvoorraad van meer dan een halve kilo toe te staan. Dat is nu streng verboden.

Het terugbrengen van het gedoogbeleid begon in de jaren negentig. Tussen 1999 en 2007 daalde het aantal coffeeshops van 846 naar 702. Ongeveer de helft staat in grote steden. Coffeeshops worden ook strenger gecontroleerd. Er zijn wetten gekomen waarmee burgemeesters panden met softdrugs kunnen sluiten, ook als er geen sprake is van overlast.

Burgemeesters maken ook veel gebruik van die middelen, zegt hoogleraar staats- en bestuursrecht Lodewijk Rogier. „Er zijn veel gemeenten die geen of minder coffeeshops willen, of die strenger optreden. In Amsterdam worden fouilleeracties impliciet gebruikt om het drugsbeleid aan te pakken.”

Er zijn goede redenen voor een repressief beleid. Zo heeft het drugstoerisme massale vormen aangenomen, onderscheidt Nederland zich met zijn coffeeshopbeleid van alle andere Europese landen en zijn coffeeshops vehikels geworden voor criminele activiteiten. De wietteelt is beter, winstgevender en dus massaler geworden. Een overgroot deel van die teelt is bestemd voor export.

Criminelen hadden zich geen betere afzetmarkt kunnen wensen dan coffeeshops, schreef commissielid Cyrille Fijnaut begin dit jaar in het tijdschrift van het wetenschappelijk bureau van de PvdA. De grens tussen de niet- criminele softdrugsmarkt en de criminele harddrugsmarkt is erg dun, vindt Fijnaut.

De commissie zegt nadrukkelijk niet het gedoogbeleid te willen staken of de handel in softdrugs volledig te willen legaliseren. De praktijk is er te complex voor. Wel moet het gedoogbeleid grondig worden herzien. De problematiek, vindt de commissie, vraagt om „politiek leiderschap”.

Lees het commentaar ‘Coffeeshop wordt club’ op pagina 21