Blauwe plekken niet uitgesloten

Wiek van Boukje Schweigman is een dans met ronddraaiende wieken.

„Als dansers uitgeput raken, wordt het te gevaarlijk.”

Boukje Schweigman met haar benen tegen een van de wieken uit de voorstelling. (Foto Roger Cremers) Nederland, Amsterdam, 30-06-2009 Boukje Schweigman, theatermaker van 'Wiek' PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS Roger, Cremers

Een propeller met drie bladen van elk zeven meter lang zwiept laag over de grond. Drie danseressen zijn gevangen in de ruimte tussen de wieken. Ze zijn opgesloten in een ronde arena. En kunnen niet ontsnappen. Theatermaker Boukje Schweigman (1974) voerde met Wiek een oorspronkelijk en briljant idee uit. Tijdens het Oerol Festival op Terschelling was het een hit.

Hoe is Wiek ontstaan?

„Drie jaar geleden stond ik op Terschelling aan de voet van de vuurtoren De Brandaris. Ik maakte daar de locatievoorstelling Dreef. Ik keek omhoog naar de voorbijflitsende lichtbundels die als witte armen door het donker zwaaien. In het middelpunt, dus dicht tegen de toren aan, lijken ze langzamer te draaien; maar hoe verder van het centrum, hoe sneller ze zwiepen, zo, van flash, flash. Als je in de trein zit en je kijkt over het weiland, dan roepen de kaarsrechte sloten die langskomen ook die illusie op: ze komen langzaam dichterbij tot haaks op de spoorlijn, en opeens schieten ze weg. Ik besloot deze bewegingen in dans te vangen.”

U volgde de Mime Opleiding aan de Amsterdamse Hogeschool voor de kunsten. Nu is er deze dansvoorstelling. Heeft u zich verdiept in de hedendaagse dans?

„Eerst was ik mimespeler, daarna maakte ik locatievoorstellingen en was ik opeens theatermaker. Nu ben ik kennelijk choreograaf. Blijkbaar geldt de voorstelling als dans, terwijl ik meer denk uit beweging en ruimte. Eerlijk gezegd snap ik bij moderne dans de motivatie om te bewegen vaak niet. Dan lijkt het vrijblijvend en haak ik af. In Wiek is dat hoop ik anders. De rondtollende molen is een gevaar dat anderhalf uur duurt. Soms is het object een vijand, dan weer een medespeler. Dat is helemaal afhankelijk van de manier waarop de drie danseressen bewegen.

„In het begin lijkt het veilig tussen die wieken, maar allengs neemt de snelheid toe en wordt het gevaarlijk. Hij draait met 30 kilometer per uur. De danseressen stellen zich in op die snelheid. Maar soms is de wiek trager, dan weer sneller. Er is een technicus die varieert. Als ze onder de wiek doorduiken, hebben ze niet meer dan 45 centimeter ruimte. Ze kunnen er ook overheen wervelen. Dat kost energie. Elke beweging die ze maken heeft dus een reden, namelijk dat spel met die wiek. Voor de toeschouwers is deze noodzaak tot ontsnappen herkenbaar. Het werkt hypnotiserend.”

Hoe gevaarlijk mag het voor de dansers zijn?

„Bij de eerste repetities zat een technicus voortdurend met zijn hand op de noodstop. Zo gevaarlijk vond hij het. De ondergrond is van zand. Dat maakt het nog moeilijker, want die draaiende bewegingen veroorzaken kuilen. Het zand mag niet te zacht zijn. Mijn danseressen vinden het veel enger ernaar te kijken dan er zelf in te staan. Als je wilt vluchten voor de wiek, heb je de neiging eruit te stappen, dus naar de buitenkant toe. Maar daar gaat ‘ie juist veel sneller. De binnenkant is veiliger. Die paradox ervaart de toeschouwer ook. Decorontwerper Theun Mosk had eerst het idee van een open ruimte, waarin de wiek staat. Maar dan kunnen de danseressen ontsnappen. In die ronde arena staat alles op scherp. Het klinkt nu allemaal beredeneerd. Ik werk eerder intuïtief. Het gaat mij om beelden, ruimte, beweging.”

De fascinerende, geleidelijk aan opzwepende muziek is van componist Douwe Eisenga.

Ja, ik hoorde voor het eerst zijn muziek in een platenzaak in Groningen. Het bleek ‘Rose Road City Lines’ te zijn. Ik heb hem, heel verlegen, gevraagd de muziek voor Wiek te maken. Hij is een keer komen kijken. Die geleidelijke crescendo en versnelling is voor de danseressen een uitputtingsslag. Ze hebben twee constanten: de muziek en de propeller. We hebben uiteindelijk het stuk iets moeten inkorten, want als dansers uitgeput raken, wordt het te gevaarlijk.”

Hebben dansers weleens gezegd: ‘Nee, dit doe ik niet...?’

„Natuurlijk. We wilden eerst op een houten vloer spelen, maar dat is te onnatuurlijk. En gras is na enkele keren kapot gedanst. Zand bleek aanvankelijk een uitkomst, maar als zand te droog en daardoor te zacht is, dan is dat doodvermoeiend. Nu hebben technici met de juiste vochtigheidsgraad een zandvloer gecreëerd die voldoet aan de eisen. Wiek is nu veilig. Al zijn blauwe plekken niet uitgesloten.”

Op Terschelling stond Wiek op een enorme zandvlakte. Op Over het IJ is de omgeving stedelijk industrieel erfgoed. Maakt dat verschil?

„Ik denk van niet. De essentie is bewaard gebleven. De ronde arena staat voor mij symbool voor alles wat cyclisch is: de opeenvolging der seizoenen, de aarde die om de zon draait. Hier hebben we een nieuwe vloer van strandzand gestort. En wezenlijk is ook de open bovenzijde. Toeschouwers en dansers zijn verbonden aan de aarde en kijken omhoog naar de wijde hemel. In Amsterdam is die verlicht door de stad. Dat geeft wellicht een andere schoonheid.”

Wiek van Boukje Schweigman. Morgen op het Over het IJ Festival, t/m 12/7. Meer speeldata: boukjeschweigman.com. Bekijk een video met fragmenten uit de voorstelling en een interview: http://nrc.tv/video/oerol

    • Kester Freriks