Verfrissende horrorfilm die het zoekt in grafhumor

scene uit de film Drag Me To Hell (2009) FOTO: RCV

Drag me to Hell

Regie: Sam Raimi. Met: Alison Lohman, Lorna Raver, Justin Long. In: 40 bioscopen. * * * *

Drag me to Hell werd als een klein meesterwerk ontvangen door de Amerikaanse filmpers; het festival van Cannes gunde de film een speciale galavoorstelling.

Het is ook best gezellig griezelen met regisseur Sam Raimi, bekend van de Spiderman-reeks en een filmauteur met een herkenbare handtekening. Maar het enthousiasme over Drag me to Hell lijkt vooral een nostalgische reactie tegen de huidige martelporno, waar alles draait om grimmige, ellenlange martelpartijen, sloopgevechten of verkrachtingen. De grand guignol en macabere humor van Raimi is een sentimental journey naar de onschuldige jaren tachtig, toen horror nog griezelen met een knipoog was.

Het verhaal van Drag me to Hell voelt net zo vertrouwd: de ambitieuze bankfunctionaris Christine (Alison Lohman) weigert de bejaarde mevrouw Ganush een lening, ook als zij op haar knieën smeekt. Die gele kalknagels, dat Oost-Europese accent, dat dode oog, Christine had het kunnen weten. Er volgt dus een zigeunervloek: de kwelgeest Lamia sleurt haar over drie dagen naar de hel.

Sam Raimi, ooit doorgebroken met horrorfilm Evil Dead, maakte na het lusteloze derde deel van de Spiderman-reeks Drag me to Hell om weer plezier te krijgen in het vak. Dat plezier spat ervan af in deze pretentieloze en verfrissende horrorfilm die het zoekt in grafhumor en slapstick, gêne en walging. Bloed wordt schaars vergoten, op de bloedneus na waarmee Christine haar chef letterlijk onder spuit. Het draait eerder om het inslikken van vieze dingen: insecten, schimmel, oogballen, lijkenvocht. Om het bah, niet om het au.

Aardig: ook huisdieren en kinderen moet eraan geloven, waarmee de film breekt met die saaie horrorcode dat onschuld vrijuit gaat. Waarom ook eigenlijk?