Olievelden onder de hamer

Irak organiseerde voor het eerst in ruim dertig jaar een veiling voor olievelden.

Maar de prijzen waren te hoog en de onzekerheid in het land is te groot voor bedrijven.

Dit is het olieveld Rumaila, het grootste olieveld dat Irak op de veiling aanbood. Hier staat een deel van de bron in brand, na de invasie in 2003. (Foto Bloomberg News) An oil well burns in the Rumaila oil field in southern Iraq Sunday March 23, 2003. The Rumaila oil fields have been secured by the coalition forces, but several well heads have been set alight by retreating Iraqi forces. Admiral Sir Michael Boyce, chief of the U.K. Defense Staff, said Iraq had booby-trapped or mined "practically all" oil wells, fields and platforms. Photographer: Daniel Acker/Bloomberg News. BLOOMBERG NEWS

Terwijl in Bagdad de Iraakse regering zes olievelden en twee gasvelden probeerde te veilen aan buitenlandse energiebedrijven, vond in het noorden van het land een aanslag plaats waarbij zeker 33 mensen werden gedood. Het tekent de onzekerheid waarin Irak nog steeds verkeert.

Het verklaart ook waarom de veiling, die het herstel van de Iraakse economie had moeten inluiden, op een fiasco uitliep. „Voor de energiebedrijven zijn de risico’s enorm om in Irak te opereren”, zegt Lucia van Geuns van het Clingendael Instituut.

Naar de veiling, die een dag was uitgesteld wegens een zandstorm, was lang uitgekeken. Internationale energiebedrijven zouden voor het eerst sinds de nationalisering van de Iraakse energiesector in 1972 weer toegang krijgen tot olie- en gasvelden in het land. Ze zouden technologie en investeringen meebrengen om de olieproductie van Irak, veruit de belangrijkste inkomstenbron van het land, op te voeren. Die productie was ingestort na de Amerikaans-Britse invasie in 2003, en sindsdien nooit meer teruggekomen op het oude peil. Voor Irak zou de veiling in totaal 1.700 miljard dollar (1.208 miljard euro) aan inkomsten moeten opleveren, uitgaande van een olieprijs van 50 dollar per vat. Voor de internationale energiebedrijven was er 16 miljard dollar te verdienen.

Maar de concerns hapten niet toe, op het Britse BP en het Chinese CNPC na. Zij kregen een contract voor oliewinning in het reusachtige olieveld Rumaila in het zuidoosten van het land. Maar pas nadat ze hun prijs hadden gehalveerd. Ze wilden in eerste instantie 3,99 dollar per vat opgepompte aardolie. De Iraakse regering wilde maar 2 dollar geven. Uiteindelijk gingen BP en CNPC met die voorwaarde akkoord.

Het Brits-Nederlandse Shell had geboden op het olieveld Kirkuk, samen met een Turks oliebedrijf en twee Chinese staatsbedrijven. Ze wilden 7,89 dollar per vat, terwijl de Iraakse regering slechts 2 dollar bood. Het consortium trok zich terug. Zoals ook de meeste andere bedrijven ervan afzagen om akkoord te gaan met de door Irak geboden prijzen.

Volgens Van Geuns van Clingendael was de kans dat de veiling zou slagen erg klein. „De contracten waren financieel killing voor de bedrijven”, zegt zij. Daarnaast bestaan er in Irak nog steeds grote juridische en politieke onzekerheden.

Zo werkt de overheid al jaren aan een hydrocarbon law, een wet die de voorwaarden voor olie- en gaswinning specificeert, maar die wet is er nog steeds niet. Zodat bedrijven niet weten waar ze aan toe zijn. Bovendien is niet duidelijk welke regering de verkiezingen, die begin volgend jaar worden gehouden, opleveren. Komt er dan een nieuwe regering die buitenlandse bedrijven de toegang tot het land weer wil ontzeggen? Voor de bedrijven speelt ook het veiligheidsrisico voor het personeel mee, wat gisteren prompt werd gedemonstreerd door de aanslag in Kirkuk.

Dat is nog niet alles. Tussen de centrale regering en de autonome Koerdische regering in het olierijke deel in het noordoosten zijn voortdurend conflicten. De Koerdische regering heeft de afgelopen jaren verscheidene contracten afgesloten met buitenlandse energiebedrijven, maar die zijn door de centrale regering onwettig verklaard. De Koerdische Regionale Regering op haar beurt heeft de veiling verworpen, omdat regionale overheden niet zijn betrokken bij het opzetten ervan, wat volgens haar wel had gemoeten.

Dan is er nog de Southern Oil Company, een van de drie staatsenergiebedrijven in Irak, en verantwoordelijk voor de oliewinning in het zuidelijke, shi’itische deel van het land. Dat bedrijf, aangestuurd vanuit het ministerie van Olie, wil helemaal geen buitenlandse inmenging, zegt Van Geuns. Volgens haar is het centrale probleem dat „er geen coherente visie bestaat hoe Irak als natie bestuurd zou moeten worden”. Het zorgt voor aanhoudende conflicten, en maakt de omgeving voor buitenlandse concerns nu te onzeker.

En dat terwijl er zo veel te halen is in het land, met name olie. Irak heeft na Saoedi-Arabië en Iran de grootste oliereserves in de regio. Bovendien is die betrekkelijk gemakkelijk te winnen. Gasreserves heeft het land een stuk minder: ruim twee keer zoveel als Nederland.

Dat de Iraakse regering zal proberen binnenkort een nieuwe veiling op te zetten, lijkt met de verkiezingen in zicht onwaarschijnlijk.