Niet tegen elke prijs

Slecht nieuws voor de mondiale oliemarkt. Nu de veiling van de exploitatie van de olievelden in Irak grotendeels mislukt is, heeft de ontwikkeling en normalisering van de Iraakse olieproductie een gevoelige klap opgelopen. Dat is niet alleen beroerd nieuws voor de wereldmarkt maar ook voor de eindgebruikers. Die blijven kampen met een aanvoer die beperkter is dan had gekund als de veilingen wel succesvol waren geweest.

De wereld is weliswaar langzaam gewend geraakt aan een olieprijs die zoals nu schommelt rond de 70 dollar per vat, maar als de economie zich weer uit de recessie opricht, kan de prijs zo weer naar meer dan 140 dollar schieten, zoals een jaar geleden het geval was. Een extra productiecapaciteit, die dergelijke forse schommelingen kan verlichten, is daarom zeer welkom. Irak zou daarbij een rol kunnen spelen.

De Iraakse olieproductie is sinds de inval van Amerika en zijn bondgenoten in 2003 nu goeddeels hersteld. Maar het niveau van eind jaren tachtig is nooit meer gehaald. Met een oliestroom die ongeveer 2,5 procent van de dagelijkse vraag naar olie bedraagt, lijkt Irak geen grote speler. In een markt waar vraag en aanbod zo nauw op elkaar zijn afgestemd, zijn ook kleine productieschommelingen echter belangrijk.

Waarom is de veiling van zes olie- en twee gasvelden dan toch mislukt? De regering van Irak lijkt haar hand te hebben overspeeld. Het bedrag waarvoor de biedende partijen de productie per vat wilden verzorgen liep soms op tot 24 dollar. De Iraakse regering bleef echter muurvast zitten op een prijs van 2 dollar per vat. Dat was de meeste bieders veel te weinig, zeker gezien de risico’s die moeten worden genomen in dit nog steeds instabiele land. Alleen de exploitatie van het Rumailaveld is succesvol verkocht: aan het Britse BP en het Chinese staatsbedrijf CNPC. Rumaila ligt – niet toevallig – in het relatief rustige diepe zuiden, tegen de grens met Koeweit. Ook in dit geval week de Iraakse regering niet af van haar prijs van 2 dollar. Het is de vraag of BP-CNPC er verstandig aan gedaan heeft om daarop in te gaan.

Irak is zich bewust van de waarde van zijn oliereserves, de op twee na grootste van de hele regio. De regering denkt daarom te kunnen wachten: reserves die in de grond zitten worden langzamerhand toch meer waard. Daar tegenover staat dat het land de bron van inkomsten nodig heeft om de wederopbouw te financieren en de technologie te kopen die nodig is om de olieproductie zelf te moderniseren.

Van de Verenigde Staten mag worden gezegd dat die zich voorlopig aan hun belofte hebben gehouden de productie niet enkel te laten gunnen aan Amerikaanse bedrijven. Van die bedrijven was geen bod succesvol. Natuurlijk heeft, naast andere overwegingen, zeker ook het belang van een stabiele oliestroom uit het Midden-Oosten meegewogen in de beslissing om destijds militaire actie te ondernemen tegen Irak. Maar vooralsnog lijkt de Iraakse olieproductie juist geen exclusief Amerikaans onderonsje te worden. Als de mislukte veiling al een lichtpuntje heeft, dan is dat het.