'Maak problemen van kranten niet dramatischer dan ze zijn'

Overheden moeten geen geld uitgeven voor een verloren zaak, zeggen twee media-experts. Dwing kranten zich te vernieuwen. Maar een Europese oplossing is er niet.

Overal in Europa maken kranten zich zorgen om hun toekomst. Omdat de verschillen per land groot zijn, liggen oplossingen op Europees niveau niet voor de hand, zeggen twee buitenlandse mediadeskundigen. Wel zouden alle Europese regeringen moeten oppassen dat ze geen geld uitgeven voor een verloren zaak, en kranten moeten stimuleren zich te vernieuwen.

In Nederland heeft de commissie-Brinkman een aantal voorstellen gedaan (zie inzet). Die zijn niet één op één over te nemen door andere landen, als ze dat al zouden willen, zeggen de Zweedse hoogleraar Mediastudies Robert Picard en de Franse media-onderzoeker Jean-Maria Charon. Evenmin zijn de oplossingen van elders zomaar toepasbaar op Nederland.

Picard wil eerst kwijt dat er in zijn ogen geen reden is om kranten in hun huidige vorm te redden. „Van 1970 tot 2000 hebben kranten erg goede jaren gehad. De netto opbrengst van advertenties is verdubbeld, kranten werden groot en rijk en kregen meer functies dan aan het begin van de twintigste eeuw. Nu er meer concurrentie is gekomen van andere media, moet je kijken wat echt belangrijk is. Moeten die kookrubriek en die pagina’s met nieuws uit de showbusiness blijven bestaan, of moeten de kranten toch meer terug naar hun traditionele functie: politieke controle namens de gemeenschap? Ik denk dat laatste. Dan is het niet zo erg als kranten kleiner worden.’’

Ook de commissie-Brinkman onderstreept dat kranten zich bevinden in een overgangsfase. Zij schreef: „Het gevaar bestaat dat in de huidige transitiefase schade ontstaat aan de journalistieke infrastructuur met gevolgen voor het democratisch bestel die niet worden opgevangen door nieuwe vormen en online constellaties.’’

Picard kan zich daarin goed vinden. „Maar dan moet je naar aangepaste oplossingen per land gaan zoeken. In Scandinavië krijgen kranten directe overheidssubsidies; dat zou door de Britse journalisten en het publiek niet aanvaard worden. In Frankrijk doen de regionale kranten het redelijk goed en de nationale een stuk minder, in het Verenigd Koninkrijk is dat weer andersom. Het probleem van de distributie is in lang niet alle landen even groot. Er is daarom geen Europese oplossing.’’

Charon, die werkt bij het Nationaal Centrum voor Wetenschappelijk Onderzoek (CNRS), deelt die visie. „We hebben in Frankrijk een oude traditie dat de overheid de pers helpt. Die gewoonte is er nu eenmaal, wat je daar ook van vindt. Ik begrijp wel dat Duitsers en Britten daar moeite mee zouden hebben.”

Daarmee willen zij niet zeggen dat sommige maatregelen niet ook elders effect kunnen hebben. Aan de impact van het besluit van president Sarkozy om alle Franse jongeren gratis een jaar een krant naar keuze te geven als ze achttien worden, twijfelen zowel Picard als Charon. Maar dat in België de kranten voor de bezorging een akkoord hebben gesloten met de post, kan ook elders goed werken. Een verlaagd of nultarief voor de btw, zoals onder andere in Zweden en Nederland, België en het Verenigd Koninkrijk, kan kranten ook lucht geven.

„Al blijft de vraag wat je doet met het geld dat je krijgt,” zegt Charon. „President Sarkozy heeft royale steun toegezegd. Maar ik geloof niet dat die veel effect zal hebben als de krant niet aantrekkelijker wordt gemaakt.” Picard: „Als je als krant alleen maar hetzelfde blijft doen, leg je over een paar jaar toch het loodje.’’

In het algemeen is het volgens Picard belangrijk te voorkomen dat kranten te maken krijgen met onrealistisch hoge rendementseisen – al is dat moeilijk te reguleren. Hij herinnert eraan dat in de VS kranten bankroet zijn gegaan die meer dan tien procent winst maakten, wegens de enorme schulden waarmee ze door een hedgefonds waren opgezadeld. In dat opzicht kan de stichtingsvorm voor kranten een goede optie zijn. In de VS wordt daar van verschillende kanten voor gepleit, in Zweden is dat al een feit. Picard wijst erop dat ook gerenommeerde kranten als de Frankfurter Allgemeine Zeitung en de Guardian eigendom zijn van een stichting of een organisatie die daarop lijkt.

„Het belangrijkste is dat kranten veranderen,” zegt Picard. „Ze waren 100 tot 150 jaar de belangrijkste bron van informatie, hadden in feite een monopolie. Ze hoefden nooit hard te concurreren en zijn daardoor minder ondernemend geworden. Die situatie is voorbij. Maar veel kranten maken de crisis groter dan zij eigenlijk is. Het is vooral een manier van denken die moet veranderen: kijk wat van wat je nu doet, ook geschikt is voor morgen, en wat niet. En stop daar dan mee.’’