Drie schizofreniegenen ontdekt

Er zijn drie nieuwe genen ontdekt die de kans op schizofrenie met 10 procent verhogen. De genen zijn betrokken bij het immuunsysteem, het denkvermogen en de hersenontwikkeling. Dat blijkt uit een onderzoek dat gisteren is gepubliceerd op de website van het wetenschappelijke tijdschrift Nature. De universitaire ziekenhuizen van Amsterdam, Groningen, Maastricht en Utrecht werkten aan het onderzoek mee.

De vondst betekent niet dat we nu kunnen voorspellen wie schizofrenie gaat krijgen en wie niet, zegt geneticus Roel Ophoff van het UMC Utrecht, een van de onderzoeksleiders. „Het blijft een kwestie van kansberekening. Belangrijker is dat deze genen iets vertellen over de biologische oorsprong van schizofrenie. Die kennis is nodig om medicijnen te kunnen ontwikkelen die aangrijpen op de onderliggende mechanismen.”

Ongeveer 120.000 Nederlanders lijden aan schizofrenie. De aandoening kent een complex ziektebeeld. Patiënten hebben vaak hallucinaties en wanen, maar ze kunnen juist ook heel vlak zijn, zonder veel emoties. Vaak hebben ze problemen met hun geheugen en andere denkfuncties.

De onderzoekers vergeleken het DNA van 2.600 schizofreniepatiënten met dat van bijna 13.500 gezonde personen. Ze controleerden de uitkomsten vervolgens bij 5.000 patiënten en 15.500 gezonde personen. Ook bij die controle kwamen de drie bewuste genen als medeplichtigen uit de bus.

Een van die genen codeert voor bepaalde HLA-eiwitten. Dat zijn eiwitten die een rol spelen in ons immuunsysteem. Verrassend, vindt Ophoff. „Het kan zijn dat HLA niet alleen een immuunfunctie heeft, maar ook in de hersenen betrokken is bij de interactie tussen cellen.”

De andere twee genen zijn direct betrokken bij hersenontwikkeling, en bij geheugen en andere denkprocessen.

Deze kennis moet nu verder worden uitgewerkt, aldus de geneticus. „We kunnen bijvoorbeeld kijken of er specifieke variaties in die genen zijn die in verband staan met verschillende subtypen van schizofrenie. En samen met celbiologen gaan we verder aan de slag om de onderliggende biologische mechanismen beter te begrijpen.”