De zomer van 1973

Driss Tafersiti kwam in zijn jonge jaren naar Nederland als Marokkaans gastarbeider. Hij bleef. In een wekelijks feuilleton schrijft hij over zijn belevenissen.

'Gazelle is onze metafoor voor schone vrouw' (Foto AFP) Thompson's gazelle. Jupiterimages

Na mijn nachtelijke bezoek aan Joost de Grijper, besloot ik een beetje afstand te nemen van Nederlanders.

In Nederland was ik een best wel moderne jongen geworden: ik was van biertjes gaan houden, vond hippies leuk en trok zelfs met een Turk op.

Maar dronken bij een echtpaar over de vloer komen, was een beetje te veel van het goede. Voor mij was het huwelijk nog iets heiligs. Dronken vrijgezelle gasten die over de vloer komen, pasten niet in het beeld dat ik ervan had.

In de maanden daarna sprak ik Nederlanders alleen als het moest. Soms kwam ik Joost in de haven tegen, maar we keken elkaar nauwelijks aan. Misschien had hij ook besloten om afstand te nemen van Marokkanen. Misschien had Joost wel verwacht dat ik die avond bij zijn vrouw in bed was gestapt. Wie zal het zeggen hoe die Nederlanders in elkaar steken.

Zoals gezegd, van Nederlanders moest ik weinig meer hebben. Totdat de zomer van 1973 begon. De haven werd overspoeld door scholieren die in hun vakantie wat bijverdienden. Ze waren onhandig en lieten alles uit hun handen vallen, maar daar stond wel tegenover dat ze vriendelijker en toegankelijker waren dan hun oudere landgenoten.

In de kantine lapten ze alle ongeschreven regels aan hun laars, ze schoven bij iedereen aan. Ze hadden maling aan de apartheidspolitiek die overal in de haven gold. Van al die jongeren ging mijn aandacht het meest uit naar een bepaald meisje. Ik zag haar voor het eerst tijdens een voetbalpartijtje dat ze speelden in de eetpauze. De teams bestonden uit jongens en meisjes. Wij gastarbeiders stonden langs de lijn toe te kijken. Als we werden gevraagd mee te doen, bedankten we vriendelijk. Onze energie gebruikten we om geld te verdienen en niet om te spelen.

Om vrouwelijk schoon te beschrijven gebruiken ze in Marokko de metafoor van de gazelle. Het is jammer dat in Nederland niet zulke edele dieren bestaan, anders zou ik haar met eentje kunnen vergelijken.

Ze was een prachtig meisje met blond haar en blauwe ogen. Kortom: een typische Nederlandse. Op één eigenschap na, ze was gelukkig niet zo lang. Ze liet me niet meer met rust. Ik droomde zowel thuis als op het werk van haar. Ook eten deed ik nauwelijks, dromen van haar was genoeg. In de dromen was ik mans genoeg om haar aan te spreken. We liepen zelfs hand in hand over het IJmuidense strand. Ze lachte om al mijn grapjes, en zei dat ze voor eeuwig bij me zou blijven. Maar de werkelijkheid was anders; in de werkelijkheid durfde ik haar nauwelijks aan te kijken.

Toen ik vijf kilo was afgevallen, besloot ik dat het zo niet langer kon. Met een op hol geslagen hart tikte ik haar aan in de kantine waar ze een boterham aan het eten was.

„Ja?” zei ze.

„I-i-ik Driss”, stotterde ik. „Jij naam?”

„Hoi, ik ben Jolanda”, zei ze.

Meer dan haar naam vragen had ik niet bedacht. Ik staarde haar met een domme grijns aan, terwijl zij afwachtend glimlachte.

Ik voelde me als een idioot. Ik voelde me als een stomme analfabete idioot. En zo droop ik ook af.