De hovenier is blijven hangen aan Diana

Arnon Grunberg verblijft in vinexwijk Leidsche Rijn. Op het programma staat ecologisch tuinieren.

Het gezin van Bart, Marjet en Tessa maakt deel uit van woongemeenschap De Kersentuin, een piepklein stukje Leidsche Rijn waar praktisch idealisme en woongenot hand in hand gaan.

Op zaterdag staat er ecologisch tuinieren op het programma. De meeste bewoners van De Kersentuin hebben geen eigen tuin, zij delen een tuin en die wordt gemeenschappelijk onderhouden. Tuinieren is niet verplicht, zij die zich op andere manieren nuttig willen maken kunnen bijvoorbeeld ook de lunch verzorgen.

Ik heb geen groene vingers, maar als het gaat om de innerlijke mens meen ik te weten wat lekker is. Lustig besmeer ik ontbijtboek met boter.

Nora heeft soep gemaakt. Ze is soepproever. Voor het bedrijf Campbell komt ze een keer in de zoveel tijd met een groepje samen om soep te proeven. „Er zitten mensen van allerlei pluimage bij,” zegt ze. „Ook een postbode.”

Hoe het zit met mannen in het leven van Nora, die ik eind vijftig schat, weet niemand, en de inwoners van De Kersentuin schijnen haar dat niet te durven vragen.

Er is deze ochtend ook een hovenier van de gemeente.

De vorige hovenier van de gemeente, René, is blijven hangen aan een bewoonster.

Een vrouwelijke bewoonster van de woongemeenschap vertelt me: „Bijna alle vrouwen van De Kersentuin zaten achter hovenier René aan, maar uiteindelijk heeft Diana hem gekregen.”

Ik zoek hovenier René op. Hij zit tevreden in zijn voortuin. Een kind speelt, de tweede is op komst. Diana zegt: „Als ik wist dat René kwam tuinieren, dan ging ik extra vroeg de vuilnis buiten zetten dan had ik hem even helemaal voor me alleen.”

Na de gemeenschappelijke lunch begeleid ik de dochter van Bart, Tessa (11) naar turnles.

De les wordt gegeven door een meisje van een jaar of zeventien.

Er zijn deze zaterdagmiddag vijf meisjes en een jongetje.

„Je hebt pech dat je er verleden week niet was,” zegt de moeder van Tessa, „want toen was het vader- en moederles. Toen moesten de ouders turnen.”

„Pech,” zeg ik.

De trainster roept: „Koprol met handen, koprol zonder handen.”

Een ietwat dikkig meisje heeft moeite met de koprollen. Ik denk: die blijft zo dood liggen.

„Nu de strek- en spreidsprong,” roept de trainster.

Ik kan mijn ogen niet van het dikkige meisje afhouden. Ze zweet enorm. Ik weet het zeker: de hel, dat is de strek- en spreidsprong.

(wordt vervolgd)

    • Arnon Grunberg