'Ik vind nu ook vrijheid in grote budgetten'

Topregisseur Guillermo del Toro debuteert met een trilogie vampierromans. Deel één verschijnt in Nederland als ‘De Meester’. Na 17 filmscripts vindt hij zichzelf ook schrijver.

Topregisseur Guillermo del Toro (Foto Bloomberg) Filmmaker Guillermo del Toro poses in this undated photo released to the press on June 9, 2009. Del Toro has a new book out co-authored with Chuck Hogan entitled "The Strain". Source: Harper Collins via Bloomberg News EDITOR'S NOTE: NO SALES. EDITORIAL USE WITH PREVIEW/REVIEW OF BOOK ONLY. VIA BLOOMBERG NEWS

Het is „mijn heilige graal”, zegt Guillermo del Toro. Hij wil niet slechts films maken, maar „werelden met een eigen mythologie”. Fans kunnen zulke werelden ontdekken, uitbreiden en bewerken in films, videogames, virtual reality, websites of boeken. „Ik behoor tot de eerste multimediageneratie. Wij gaan dat uitvinden.”

Filmregisseur Guillermo Del Toro heeft het druk met de verfilming in twee delen van Tolkiens The Hobbit, met Peter Jackson (Lord of the Rings) als producer. Maar vandaag is hij even schrijver. Met co-auteur Chuck Hogan debuteert hij met The Strain (De Meester) een apocalyptische trilogie over vampirisme. Bij een boek alleen kon multimedialist Del Toro het natuurlijk niet laten. Vrienden maakten een bioscooptrailer, alsof de roman een film is. Del Toro: „Boekentrailers op internet ogen goedkoop, dit leek me een stap vooruit. En wie weet wordt het straks een miniserie.”

Del Toro is een drukbezet man die niet van discipline houdt. Op een druilerige ochtend ijsbeert pr-agent Fiona handenwringend door de lobby van Covent Garden Hotel: een bundel strakgespannen pezen in kokerrok. Del Toro is een prachtig mens, knarsetandt ze: elke afspraak loopt uit. En daar komt hij de lift al uit gedenderd: 140 kilo in het zwart en met vlassig baardje. Voor zijn bagage – kolossale hutkoffers, rolkoffers, kartonnen dozen en computertassen -kun je een vorkheftruck inhuren.

Hij omhelst, pompt handen, geeft een boks, en dan zitten we al in de taxi naar Heathrow. Onderweg bezoekt Del Toro wat antiquariaten in Cecil Street om naar Victoriaanse griezel- en sprookjesboeken te zoeken. Die verzamelt hij, evenals porseleinen borstbeeldjes van schrijvers, antieke circusparafernalia en – vandaag – een vluchtplan en spionagefoto’s van een Duitse piloot die boven Engeland werd neergeschoten. „Een prachtig artefact”, glundert Del Toro. Hij wijst op een stoffig antiquariaat. Fluisterend: „Die is nooit open. Je moet bellen. De eigenaar ontvangt alleen ’s nachts klanten.”

Del Toro maakte al twee films over vampiers: Cronos en Blade II. In zijn romantrilogie grijpt hij terug op een het kale, bleke monster uit de stille film Nosferatu (F.W. Murnau, 1922). Vampirisme is een vieze ziekte: Del Toro treedt in detail over de anatomie van de vampier, die geen slagtanden heeft en over zijn slachtoffers urineert.

Uw vampier is niet de romanticus van tienerfilms als Twillight, waar vampiers vegetariërs zijn, en tegen seks voor het huwelijk.

„Ik ben een dikke, lelijke kerel, ongeschikt voor romantiek. Maar vanaf de novelle van Polidori (in 1819) was de vampier tegelijk Byroniaanse dandy en beest, bleke existentialist en bloedzuiger. De eeuwigheid als eindeloze verveling versus de dagelijkse jacht op bloed: het zijn twee kanten van dezelfde medaille. Punt is dat de romantische vampier een rebels karakter was. Nu is hij een huisdier, en reactionair. Oninteressant.

Vanwaar uw vampierobsessie?

„Ik kan verhalen vertellen over mijn grootmoeder, die zich op de rand van de godsdienstwaanzin bevond. Of over de Mexicaanse dodencultus. Of het katholicisme: martelaars, bloed dat tot nieuw leven leidt. Feit is gewoon dat ik al 37 jaar stapelverliefd op vampiers ben. Op mijn zevende las ik er voor het eerst over, toen ik ook anatomieboeken las. Ik fantaseerde hoe een vampier in elkaar zat.”

U richt zich erg op de anatomie.

„Ooit wilde ik een seriemoordenaarsfilm maken: toen ik Silence of the Lambs las. Maar de rechten waren al vergeven. Silence of the Lambs is de eerste procedurele thriller waarin het plot wordt gedreven door autopsie, chemie en sporenanalyse. Forensische shows als CSI zijn het gevolg. Onze roman is een poging tot procedurele horror.

Hoe ontstond het boek?

„Ik had dat beeld van een vliegtuig dat ’s nachts roerloos op een landingsbaan staat: het begin van de vampierepidemie. We maakten een samenvatting voor een miniserie, die ik aan de Fox-studio voorlegde. Goed idee, zeiden ze, kan je er een komedie van maken? Frustrerend, want mijn verhaal is grimmig en apocalyptisch. Dus werd het een boek.”

U bent atheïst, uw films spelen zich altijd af in een betoverde wereld.

„Buñuel zei: ‘Ik ben atheïst, godzijdank.’ Je kunt afvallig zijn, je blijft katholiek. Horror gaat over onze angst en sterfelijkheid, daarom levert het meesterwerken op.”

U wisselde Hollywoodfilms af met arthouse. Is dat planning?

„Ik zocht vroeger inderdaad vrijheid in kleine formaten, nu vind ik ook vrijheid in grote budgetten. Ik heb vooral goed nee leren zeggen. Er is mij van alles aangeboden: Harry Potter, The Chronicles of Narnia, I Am Legend. Ik ben dol op Harry Potter, maar voelde niks bij Zweinstein van de eerste films. Oersaai. Chronicles of Narnia: als ongelovige kon ik leeuw Aslan niet als Jezus uit de dood laten herrijzen. Bij I Am Legend was het punt dat vampiers een nieuwe beschaving vormen. De laatste mens, een vampierdoder, moet dus sterven: hij is het monster. Dat durfde Warner Bros niet aan, de mensheid moest en zou overleven.”

Waarom dan wel de The Hobbit? Peter Jackson valt niet te overtreffen.

„Als jongen las ik The Hobbit ademloos, en in Tolkiens wereld valt nog enorm veel te ontdekken. Smaug, de draak die in The Hobbit de schat bewaart, is één en al list en hebzucht. Golem geef ik een draai. Al voeg ik maar twintig procent toe, dan nog is het mijn film.”

Bent u een kameleon of iemand die steeds dezelfde film maakt?

„Ik maak heel verschillende films in steeds dezelfde genre driehoek horror, actie en psychodrama. Ooit hoop ik nog een elegante misdaadthriller te maken zoals Inside Man van Spike Lee.”

    • Coen van Zwol