Grote beleggers zijn voorzichtig

De overheid zoekt privaat kapitaal voor investeringen in infrastructuur en banken. Maar de financiers zijn wat schuw geworden. Herhaalt de geschiedenis zich?

Crisis? Bel de grote geldbeheerders.

Als de tekorten in Den Haag oplopen rijst steevast de vraag: wat kunnen de beheerders van pensioenfondsen en verzekeraars doen om de economie te stimuleren?

Alleen het pensioenkapitaal is al 600 miljard euro. Gisteren overlegde een kabinetsdelegatie met pensioenuitvoerders en brancheorganisaties uit de pensioen- en verzekeringswereld.

Twee actuele onderwerpen liggen op tafel. Wie heeft belangstelling voor aandelenpakketten van de overheid in ABN Amro, ING, Aegon of SNS Reaal? En hoe kunnen private financiers meedoen met investeringen in wegen, dijken en andere infrastructuur?

Toevallig lanceerden twee financiële instellingen zonder staatssteun, de Rabobank en verzekeraar Delta Lloyd, gisteren een apart beleggingsfonds voor investeringen in Hollandse beursgenoteerde bedrijven.

Oude tijden herleven. Begin jaren tachtig toen de economie volledig in het slop zat kreeg het politiek-financiële crisisberaad vorm met de oprichting van de Maatschappij voor Industriële Projecten (MIP). Deze MIP moest voorzien in een vermeend tekort aan risicodragend vermogen. Banken, verzekeraars en pensioenfondsen legden omgerekend honderden miljoenen euro op tafel. Toen alle besluitvorming was afgerond, was de economie weer in herstel en nam de financiële markt zijn aandeel in het stillen van de kapitaalbehoefte van het bedrijfsleven.

In de economische teruggang van 1993 herhaalde dit fenomeen zich op kleinere schaal met de zogeheten Industriefaciliteit van minister Koos Andriessen van Economische Zaken.

Het eerste verschil met de twee eerdere initiatieven is dat er nu (nog) geen begin van een uitgewerkt plan blijkt te zijn. De financiële wereld is nog huiveriger dan normaal voor overheidsbemoeienis. Pensioenfondsen, verzekeraars en banken besteden andermans geld. Dat schept verantwoordelijkheden. Niet tegenover de overheid, maar tegenover de pensioengerechtigden, polishouders en spaarders. De meest kapitaalkrachtige van de drie, de pensioenwereld, zit zelf aan de grond. Nieuwe beleggingen moeten voldoen aan een aantrekkelijk rendementsvooruitzicht met een relatief laag risico.

Bovendien staan de financiers sceptisch tegenover het beleid dat de regering heeft gevoerd sinds de financiële crisis acuut werd met de nationalisatie, 3 oktober 2008, van ABN Amro Nederland en Fortis Nederland. Toen zag het kabinet andere aandeelhouders niet staan. De Europese ministers van Financiën zeiden dat aandeelhouders in financiële bedrijven „de volledige consequenties moeten dragen” van de staatsinterventies.

Bestuursvoorzitter Dick Sluimers van pensioenbeheerder APG maakte, tevergeefs, publiek bezwaar. „Het gemak waarmee de Europese ministers dit zeggen helpt natuurlijk niet het vertrouwen in de financiële wereld te herstellen. Dankzij dit soort uitspraken wordt het niet aantrekkelijker om aandelen van banken te kopen.” Ook een redevoering van minister Bos van Financiën waarin hij aandeelhouders deels de schuld van de crisis gaf hielp niet.

Het tweede verschil met de MIP en de Industriefaciliteit is dat dit een omgekeerde crisis is. Doorgaans is de financiële wereld de sector die als laatste de stroppen en beleggingsverliezen van een economische crisis voor zijn kiezen krijgt. Eerst merken bedrijven en werknemers de neergang aan den lijve met faillissementen en banenverlies.

Nu hebben financiële instellingen zelf stroppen veroorzaakt. De overheid moest steun geven. Dat brengt de staat in een positie van macht en invloed tegenover de financiële wereld die zij niet eerder heeft gehad. Maar wat de overheid mist is haar eigen strategische financiële instelling, een bank als KfW zoals de Duitsers die hebben, of een Caisse des Dépôts, zoals de Fransen. Nederland had vroeger ook zo’n bank, de Nationale Investeringsbank (NIB), opgericht om de naoorlogse industrialisatie te financieren. Juist die bank gaf begin jaren jachtig vernieuwende leningen aan het bedrijfsleven voor nieuwe investeringen. In 1999 werd de Investeringsbank verkocht aan de pensioenfondsen ABP en Pensioenfonds Zorg & Welzijn. Maar zij moesten op last van het kabinet de bank eind 2005 verkopen. Een Amerikaanse financier is nu eigenaar. Het kabinet zei toen: ondernemende financieringen zoals de NIB doet zijn niets voor pensioenfondsen.