Graf te B.

Van het een komt niet altijd het ander, maar deze week op een warme dag in Bergen toevallig wel. Ik bezocht in museum Kranenburgh een tentoonstelling over de dichter Chris van Geel (1917 – 1974). Voor het eerst hoorde ik op een geluidsband de sonore, enigszins deftige stem waarmee Van Geel een groot aantal korte gedichten voorleest. In een vitrine lag een dichtbundel opengeslagen bij zijn gedicht Graf te B.

Tussen Meskes-De Back

en Krans-Van der Hagen

en Klots.

Dat is alles. Het is uit de bundel Het zinrijk en dateert van 1971. Het gaat over de plek waar Eddy du Perron, een van de literaire helden van Van Geel, op de Algemene Begraafplaats van Bergen begraven ligt. Du Perron stierf in 1940 tijdens de inval van de Duitsers in Nederland aan een hartaanval.

Ik realiseerde me dat ik nooit op die begraafplaats, waar ook Roland Holst en Lucebert liggen, geweest was. Bovendien vroeg ik me af of dit gedicht nog steeds klopte. Zou Du Perron nog altijd tussen dezelfde mensen liggen als in 1971? Zo nee, werd het dan niet tijd om een nieuwe versie van dit gedicht te maken?

Naar het kerkhof dus, aan de Kerkedijk. Het was er heet en, ik heb er echt geen ander woord voor, uitgestorven. Nergens was personeel te ontdekken, de grafdelvers en hoveniers hadden de schop erbij neergegooid.

In een gebouwtje hingen twee moeilijk te ontraadselen plattegronden waarop gelukkig wel de graven van Du Perron, Roland Holst en Lucebert waren aangemerkt.

Moeizaam zocht ik mijn weg over de blakerende dodenakker. Eerst stuitte ik tot mijn verbazing op het graf van Leo Derksen (1926 – 2002), columnist van De Telegraaf. Een sierlijke, opstaande grafsteen met een lezend kind en het opschrift ‘Columnist’. Derksen was een zeer rechtse columnist, destijds zo ongeveer de enige van Nederland. Het is jammer voor hem dat hij niet meer heeft mogen meemaken dat veel van de linkse columnisten-journalisten door wie hij destijds bespot werd, hem inmiddels royaal rechts hebben gepasseerd.

Op dezelfde hoogte, slechts zes graven van Derksen vandaan, bleek Du Perron te liggen, sinds 1981 samen met zijn vrouw Elisabeth de Roos. De columnist bijna naast de literator, ach, de dood kan het allemaal niet zoveel schelen.

De letters van zijn naam en de belangrijkste cijfers van zijn leven waren ernstig verbleekt, maar nog wel leesbaar. Het graf was zo verweerd en onversierd als een oud graf maar kan zijn, maar het wás er in ieder geval nog.

Ik keek naar zijn buren. Ja, Michiel J. Krans, eveneens in 1940 begraven, en zijn ‘lieve vrouw’ Magdalena Krans-Van der Hagen lagen er ook nog steeds. Maar waar waren Meskes-De Back en, vooral, Klots, een naam die de eeuwigheid op zo’n genadeloze manier personifieert? Zij waren kennelijk voorgoed opgeruimd. Waar ik ook keek, geen Klots.

Rechts naast Du Perron lag sinds 1995 Klaas van der Sluis, huisarts te Schagen. Op zijn grafsteen stonden dichtregels van Hans Lodeizen, alsof hij daarmee had willen zeggen: „Die vond ik beter.” Het gedicht Graf te B. van Chris van Geel mag dus voortaan ook luiden:

Tussen Krans-Van der Hagen

en Van der Sluis.