Dit is geen tijd voor twijfelaars

Filosofen Stine Jensen en Rob Wijnberg onderzoeken in de serie ‘Dus ik ben’ de vraag: ‘Hoe definiëren wij onszelf’.

Aflevering 1: De mens als zijn morele principes.

(Foto Paulien Oltheten)

„U draait.” CDA-lijsttrekker Jan Peter Balkenende had tijdens de verkiezingen in 2006 maar twee woorden nodig om zijn opponent Wouter Bos een verkiezingsnederlaag te bezorgen. Maandenlang lag de PvdA-leider riant voor op zijn tegenstanders – in mei stond hij virtueel zelfs op vijftig zetels. De beschuldiging van Balkenende dat Bos van mening was veranderd aangaande de versoepeling van het ontslagrecht, werd hem echter fataal. De week erop kelderde de PvdA in de peilingen liefst tien zetels. Niet Bos’ standpunt op zich bleek onacceptabel, wel dát hij van standpunt was veranderd: hij kwam te boek te staan als ‘zwak’ en ‘onbetrouwbaar’.

Die stempels lijken in eerste instantie nogal rigoureus. Een politicus die van mening verandert is toch niet meteen slap of leugenachtig? Toch heeft deze reactie wel een logische verklaring. Die verklaring heeft alles te maken met de manier waarop mensen zichzelf – en anderen – definiëren. Of anders gezegd: heeft alles te maken met wat wij verstaan onder identiteit. Nu betekent identiteit in de meest strikte zin van het woord: ‘gelijk zijn aan’ of ‘samenvallen met’. Daarom noemen we twee dezelfde dingen ook identiek. De vraag naar de menselijke identiteit betekent dus in feite: waar valt een mens mee samen?

Een van de meest wijdverspreide antwoorden op die vraag luidt: met zijn morele principes. Of simpeler geformuleerd: wat ik vind, is wie ik ben. Deze definitie van identiteit maakt dat wij iemand met sterke, consistente morele opvattingen beschouwen als een sterke en betrouwbare persoonlijkheid. Zo iemand laat zijn oordelen niet afhangen van de situatie of van anderen. Hij is, zegt men dan, altijd zichzelf. Het woord ‘zichzelf’ betekent hier dus eigenlijk principieel – iemand die volledig samenvalt met zijn morele wereldbeeld.

Andersom geldt dat iemand die gemakkelijker van opvatting verandert, gezien wordt als een zwakke en onbetrouwbare persoonlijkheid. Men weet niet wie hij is, omdat men niet aan kan op wat hij vindt. Dat gebrek aan duidelijkheid kostte Wouter Bos in 2006 de verkiezingen en bezorgde de PvdA afgelopen maand wederom een fikse nederlaag tijdens de stemming over Europa.

De PvdA-leider had dit kunnen voorzien. De mens als zijn principes is een definitie van identiteit die immers met name geldt voor politici. Zij definiëren zichzelf (en wij hen) expliciet in termen van hun denkwijze – liberaal, democraat of socialist. Hoe genuanceerder en twijfelachtiger een politicus zijn opvattingen uitdraagt, des te zwakker hij dus overkomt.

Talkshows en actualiteitenrubrieken lijken tegenwoordig helemaal op deze definitie van identiteit geënt. Ze nodigen vooral mensen uit die het ‘goed doen op tv’, wat een andere manier is om te zeggen dat iemand eenduidige oneliners moet kunnen formuleren en situaties snel kan kenschetsen als ‘goed’ of ‘fout’. Wie hapert, twijfelt of genuanceerd en langdradig is, is geen geschikte ‘tv-persoonlijkheid’, heet het dan.

Maar deze vorm van identiteit beperkt zich niet tot de politiek en media: veel mensen vereenzelvigen zichzelf met wat ze vinden. De extremere gevallen veruitwendigen die opvattingen ook: bij hen kun je aan het uiterlijk zien of iemand links (hippie), rechts (kakker) of juist anti-establishment (kraker) is. Hetzelfde gaat vaak op voor aanhangers van een godsdienst. Een moslim, christen of boeddhist definieert zichzelf bovenal als de verzameling opvattingen die zijn geloof omvat – en draagt dat ook duidelijk uit in zijn voorkomen.

Hier geldt dan ook: hoe sterker het geloof, des te directer de relatie met iemands identiteit. Dat verklaart waarom orthodoxe godsdienstigen zich vaak snel gekwetst voelen door kritiek op hun geloof. Een aanval op hun opvattingen wordt ervaren als een aanval op hun persoon. Die relatie tussen persoon en geloof geldt voor mensen met zwakkere overtuigingen veel minder. Er zijn bijvoorbeeld weinigen die zichzelf expliciet definiëren als agnost of pragmatist en dat ook actief uitdragen. Kritiek op die denkwijzen zal daardoor minder snel persoonlijk worden opgevat.

Nu lijkt deze definitie van identiteit zo vanzelfsprekend dat je zou denken dat ze altijd al gemeengoed is. Dat is echter niet het geval. Lange tijd werd, zoals bij de Oude Grieken, een persoon eerder gedefinieerd in termen van deugden. Iemand had een ‘sterk karakter’ als hij moedig, wijs en onbaatzuchtig was. Zijn morele principes speelden daarbij een rol, maar waren niet allesbepalend.

De vraag was in ieder geval niet, zoals nu, of iemand qua morele opvattingen consistent was. Een mens werd namelijk niet uitsluitend als rationeel wezen gezien, maar eerder als een ‘bezield lichaam’, dat bestond uit twee even belangrijke delen: een rationele kant (het denken) en een irrationele kant (de verlangens). Beide kanten strijden voortdurend om voorrang en veroorzaken dus inconsistente wensen en opvattingen, zo luidde lange tijd de communis opinio.

Pas vanaf de zeventiende eeuw kwam daar, met name in het Westen, verandering in. De Brit John Locke (1632-1704) was de eerste die expliciet een relatie legde tussen de menselijke identiteit en een ‘moreel agentschap’. Een persoon is, anders dan dieren en dingen, „eigenaar van zijn morele handelen”, stelde hij.

Rond dezelfde tijd bracht de Franse filosoof René Descartes (1596-1650) een definitieve omslag teweeg in het denken over identiteit, door de mens volledig te ‘reduceren’ tot zijn redelijke vermogen. Middels een gedachte-experiment was Descartes tot de conclusie gekomen dat niets wat hij dacht onbetwijfelbaar was, behalve dan het denken zélf. Dit bracht hem tot zijn stelling: ik denk, dus ik ben. Hiermee vereenzelvigde Descartes de mens volledig met zijn ratio. Of anders gezegd: mens zijn werd gelijkgesteld aan rationeel zijn.

Immanuel Kant (1724-1804) ten slotte bracht de theorieën van Locke en Descartes samen. Hij stelde, net als Locke, dat onze identiteit bestaat uit ons ‘vermogen tot moreel handelen’, maar voegde eraan toe dat een handeling alleen moreel is voor zover zij rationeel is. Dat wil zeggen: voor Kant is een moreel principe ‘waar’ als dat principe universeel is toe te passen: hij moet voor ieder redelijk wezen, in iedere omstandigheid, evenzeer opgaan.

Daarom is moorden, stelen of liegen volgens Kant ook nooit te billijken. Getoetst aan de eis van universaliteit zou dat namelijk leiden tot rationele tegenspraak: als iederéén zou moorden, stelen of liegen, zou er geen leven, privébezit of waarheid meer zijn, en moorden, stelen of liegen dus logisch onmogelijk worden.

Zo raakte identiteit verbonden met een universele moraal. Kant definieerde het begrip autonomie dan ook als het „rationele vermogen om jezelf te onderwerpen aan een universele wet”. Ergo: wie niet principieel handelt maar zijn beslissingen laat afhangen van toevallige omstandigheden of mogelijke gevolgen, is in Kantiaanse zin niet autonoom – of, vrij vertaald, niet altijd ‘zichzelf’.

Deze ‘rationele ik’ is later hevig bekritiseerd maar niettemin nog altijd diepgeworteld in onze cultuur. Dat blijkt niet alleen uit het feit dat politici die in universele waarden denken ‘daadkrachtiger’ worden gevonden dan hun pragmatische tegenhangers. Het is ook te zien aan ons onderwijs. In bijna de hele Westerse wereld kent het onderwijssysteem namelijk een horizontale structuur naar analogie van het rationalisme: hoe hoger het onderwijs wordt genoemd, des te meer het gericht is op het bovenste deel van ons lichaam – ons hoofd.

Zo bevinden scholen die gericht zijn op het aanleren van praktische of lichamelijke vaardigheden (vmbo, kunstacademie, toneelschool) zich onderaan de pikorde (‘lager onderwijs’), terwijl academische instellingen die zich richten op het intellect (gymnasium, universiteit) het hoogst in aanzien staan (‘hoger onderwijs’). Hoezeer dat samenhangt met onze kijk op identiteit, blijkt hieruit: wanneer we spreken van zelfontplooiing doelen we meestal op de ontwikkeling van ons denkvermogen, niet op het leren dansen of timmeren.

De frase ‘ik denk, dus ik ben’ heeft kortom grote invloed gehad op onze samenleving, politiek en zelfbeeld. In de huidige politiek is die invloed trouwens zichtbaarder dan ooit: principiële politici hebben duidelijk de electorale wind mee.

Dat is niet verwonderlijk. In onzekere tijden, met moeilijk te beheersen ontwikkelingen als terrorisme, globalisering, klimaatverandering en de economische crisis, hebben veel burgers logischerwijs meer behoefte aan zekerheid, en dus aan stellige politici, met wie ze zich kunnen identificeren. Net als Descartes vragen kiezers nu ook weer om onweerlegbare (morele) grondslagen waarop zij hun identiteit kunnen baseren. Op die vraag zal vooral het politieke establishment dringend een antwoord moeten vinden. Het liefst een principiële.

    • Rob Wijnberg