Grenzeloos web wordt alom betwist territorium

De onderdrukking van de vrijheid van meningsuiting op internet groeit. Wie is daar verantwoordelijk voor? Autoritaire regimes? Of de softwaremakers?

Als het aan de kritische Chinese kunstenaar Ai Weiwei ligt, is het morgen stil op de Chinese digitale snelweg. De ontwerper van het olympische ‘Vogelnest’-stadion heeft opgeroepen tot een 24-uursboycot van het internet op 1 juli, de dag dat in China een omstreden internetfilter verplicht wordt op nieuwe pc’s. Het is een stil protest tegen de groeiende onderdrukking van de vrijheid van meningsuiting op internet.

Zoals in Iran. Burgers protesteerden deze maand massaal tegen de uitslag van de verkiezingen op 12 juni. Een deel van dat protest vond op het internet plaats en het regime blokkeerde sites met steunbetuigingen voor oppositieleider Mir Hossein Mousavi. Internetactivisten vonden manieren om de blokkades te omzeilen.

De ‘netizens’ (internetburgers) staan niet alleen. Ook buiten de virtuele wereld wordt geprobeerd om internetcensuur te bestrijden. De vraag is bij wie de verantwoordelijkheid ligt: bij de veelal autoritaire regimes of bij de bedrijven die de techniek leveren.

Toen de Franse Constitutionele Raad op 10 juni bepaalde dat vrije toegang tot het internet een fundamenteel mensenrecht is, deed de raad die uitspraak om een wet tegen illegaal downloaden ongrondwettelijk te verklaren. Maar de uitspraak, gebaseerd op de Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger uit 1789, kwam als een steun in de rug voor de Iraniërs, die twee dagen later begonnen met hun protest tegen de verkiezingsuitslag.

„De uitspraak heeft een sterke symbolische betekenis”, zegt Pierre-François Docquir, jurist aan het Centre Perelman de Philosophie du Droit in Brussel.

Eigenlijk was een expliciete uitdrukking van het recht op vrij internet niet echt nodig, zegt Leslie Harris, voorzitter van het Center for Democracy & Technology (CDT) in Washington. In het Handvest van de Verenigde Naties (1945) en het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (1966) is vastgelegd dat iedereen recht heeft op vrije meningsuiting en nieuwsgaring „met behulp van [...] media naar zijn keuze”. Harris: „Dus ook via internet, en andere media die we nog niet hebben bedacht.”

Maar volgens Mary Rundle en Malcolm Birdling, auteurs van Access Denied: The Practice and Policy of Global Internet Filtering, kunnen autoritaire regimes zonder consequenties de vrijheid van (online) meningsuiting aan hun laars lappen. Dit omdat internationale mensenrechteninstellingen nauwelijks middelen hebben om druk uit te oefenen, zo schrijven ze in hun boek dat vorig jaar verscheen.

En binnen landen waar de vrijheid van internet wordt beknot, is het voor burgers vrijwel onmogelijk om via het recht hun gelijk te halen. Een Tunesische blogger tekende in september 2008 protest aan tegen een twee weken durende blokkade van de sociale netwerksite Facebook. De rechtbank wees de zaak af.

Vervolg Internet: pagina 5

VS willen censuursoftware aan banden, EU aarzelt

Vervolg Internet van pagina 1

Omdat het volgens Rundle en Birdling niet haalbaar is om het gedrag van censurerende staten te veranderen, pleiten ze ervoor om de bedrijven die het censureren mogelijk maken aan te pakken. In de Verenigde Staten is vorige maand een wetsvoorstel ingediend dat deze aanpak mogelijk moet maken: de Global Online Freedom Act (GOFA). De wet is bedoeld om te voorkomen dat Amerikaanse bedrijven regimes helpen om het internet te censureren. Een bedrijf dat gehoor geeft aan een verzoek van een repressief regime om opgeslagen persoonsgegevens te delen, zou een boete krijgen.

De wet moet herhaling voorkomen van de gebeurtenissen in 2004. Toen arresteerde de Chinese politie dissident Shi Tao met behulp van gegevens die de autoriteiten verkregen via internetbedrijf Yahoo. Shi kreeg tien jaar celstraf. Vorige week kwam een joint venture van het Finse Nokia en het Duitse Siemens in opspraak, omdat zij een systeem heeft verkocht aan het Iraanse telefoonbedrijf Irantelecom, waarmee het dissidenten in de gaten kan houden.

In Brussel heeft de Nederlandse Europarlementariër Jules Maaten (VVD) herhaaldelijk gepleit voor een Europese variant van GOFA. „De recente ontwikkelingen in Iran [waar de regering sites van de oppositie blokkeerde, red.] hebben alleen maar de noodzaak versterkt om hier iets aan te doen”, zegt Maaten. Zijn Oostenrijkse collega-parlementariër Eva Lichtenberger (Groenen) laat per e-mail weten dat zij met haar bondgenoten in de herfst bij de nieuwe Europese Commissie, het dagelijkse bestuur van de EU, zal aandringen op zo’n wet. De Commissie aarzelt volgens Maaten nog, omdat bij Europeanen weerzin is tegen meer regulering. „En de bedrijven waarom het gaat zoals Nokia en Siemens zijn succesvolle European champions. Ik zou het kwalijk vinden als er in de VS wel een wet komt en wij achterblijven.”

Leslie Harris van CDT ziet niet veel in GOFA. „Ik vind niet dat je de verantwoordelijkheid moet verschuiven van regeringen naar bedrijven.” Daarbij, als een internetbedrijf weigert om mee te werken met bijvoorbeeld China, dan zal dat land volgens Harris tegen het bedrijf zeggen: pak uw spullen maar. Vorige week woensdag waren zoekmachine Google en zijn e-mailservice Gmail uren niet bereikbaar in China. De blokkade volgde op het verwijt van Chinese staatsmedia dat via Google pornografisch materiaal te vinden is. Waarnemers noemen het een waarschuwing voor Google.

Harris’ organisatie ziet meer in (en werkt mee aan) het Global Network Initiative (GNI), een ethische gedragscode voor bedrijven, waarin staat dat vrijheid van meningsuiting en privacy gewaarborgd moeten worden. GNI is eind oktober vorig jaar begonnen; marktleiders Google, Yahoo en Microsoft doen mee. De Tunesische blogger Sami Ben Garbia, hoofd van de stichting Global Voices Advocacy, gelooft niet in de gedragscode. „Bedrijven doen daar alleen aan mee voor hun imago.”

Voor nu moeten online activisten zelf manieren vinden om hun onvrede langs de ‘cybermuur’ te loodsen. In Iran is de toegang tot internet beperkt. Toch lukte het een aantal Iraanse cyberdissidenten de buitenwereld te bereiken met berichten en foto’s. Dat lukt ze dankzij internet, waarmee tips en software worden uitgewisseld om de censuur te omzeilen.

Wetsvoorstel, links en artikelen: nrc.nl/internetvrijheid

    • Peter Teffer