Een dwars stukje koninkrijk

De rechtsgevolgen van in Nederland gesloten (homo)huwelijken tussen rijksgenoten gelden ook op de Nederlandse Antillen, aldus Ulli d’Oliveira.

Een dwars stukje koninkrijk. Illustratie Bas van der Schot Schot, Bas van der

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba heeft op 18 juni weer eens de kont tegen de krib gegooid met een uitspraak over de betekenis van het homohuwelijk op de Antillen.

Het weigerde het in Nederland gesloten huwelijk van twee vrouwen te erkennen voor wat betreft de toepassing van de Regeling vergoeding behandelings- en verplegingskosten op Curaçao. Dat betekende concreet dat de vrouw van de partner/overheidsdienaar niet meeverzekerd wordt als ‘echtgenote’ van de overheidsdienaar voor de ziektekostenregeling.

De redenering van het Gemeenschappelijk Hof om tot dit onhoudbare resultaat te komen is flinterdun. Het neemt in aanmerking dat de ziektekostenregeling met het woord ‘echtgenoot’ uitsluitend doelt op iemand die voldoet aan de regels van het Antilliaanse Burgerlijk Wetboek, dat alleen het huwelijk tussen mensen van verschillend geslacht kent. Ook al is het huwelijk in de Antilliaanse basisadministratie ingeschreven, aldus het Hof, dat brengt nog niet met zich mee dat het ook een huwelijk is in de zin van de ziektekostenregeling.

Waarom is deze beslissing zo mis? In de eerste plaats omdat zij in strijd is met het Koninkrijksstatuut, dat in art. 40 samengevat zegt dat authentieke akten (zoals huwelijksaktes) in het hele koninkrijk ten uitvoer moeten worden gelegd. Het koninkrijk is, met andere woorden, één rechtsgebied, en ‘erkenning’ van elkaars rechterlijke uitspraken en authentieke akten kan niet geweigerd worden, ook niet op grond van de openbare orde.

Maar het gaat natuurlijk niet alleen om blote registratie van huwelijken die in de andere delen van het Rijk gesloten zijn. Het gaat ook, en vooral, om het verbinden van allerlei rechtsgevolgen aan die uitspraken en akten. Wat heeft men eraan dat men in de basisadministratie wordt opgenomen, maar voor het overige als ongetrouwd wordt beschouwd? Dat is de betekenis van art. 40 van het Statuut.

Het huwelijk tussen mensen van hetzelfde geslacht hoeft niet op grond van het Statuut in het Caraïbisch gebied te worden ingevoerd. Maar de in Nederland gesloten huwelijken tussen rijksgenoten moeten daar wel worden geaccepteerd, met alle rechtsgevolgen van dien. Hetzelfde geldt voor adoptiekinderen (zowel van hetero- als homostellen). Ook die zijn gezinsleden voor de ziektekostenregeling, ook al kennen de Antillen maar een beperkte adoptie.

Dat is nog maar een paar jaar geleden door onze Hoge Raad onderkend. Deze verklaarde in 2007: „Het verband van het Koninkrijk brengt ook mee, dat alle delen van het Koninkrijk de gevolgen van die verscheidenheid dienen te aanvaarden, hetgeen […] betekent dat zij binnen de eigen rechtsorde de rechtskracht en daarmee de rechtsgevolgen van elkaars rechterlijke uitspraken en authentieke akten moeten aanvaarden, ook indien die rechtsgevolgen niet aansluiten bij de plaatselijke opvattingen. Op dit punt laat het Statuut met art. 40 geen ruimte.”

Het Gemeenschappelijk Hof, dat de Hoge Raad wel citeert, maar het laatste zinnetje wijselijk weglaat, ziet kennelijk nog wel ruimte voor het achterwege laten van het toekennen van rechtsgevolgen.

Het veegt ook nog een beroep dat de ambtenaar deed op het Europese mensenrechtenverdrag van tafel, met verwijzing naar een oude uitspraak uit 1986 van het Mensenrechtenhof in Straatsbrug. Dat is zwak, omdat er opvolgende rechtspraak van dat college is die in elk geval het recht om te trouwen van transseksuelen heeft erkend, en dus de beperking tot het heterohuwelijk veel losser heeft gemaakt. Bovendien gaat het in dit geval niet om het recht om te trouwen, want het huwelijk was gesloten en ingeschreven, maar om de gevolgen van het huwelijk.

Ik denk dat de uitspraak, als die onderworpen zou worden aan cassatie bij de Hoge Raad, alle kans heeft om vernietigd te worden. Alleen: het Hof heeft hier in hoogste instantie geoordeeld in een bestuursrechtelijke aangelegenheid; de Hoge Raad komt er niet meer aan te pas.

Ik vraag mij af wat het Hof bewogen heeft dit achterhoedegevecht te voeren. Die vraag wordt des te pikanter als men ziet welke raadsheren de uitspraak hebben gedaan. Twee van de drie zijn in het recht doorknede raadsheren afkomstig uit de Nederlandse Raad van State, en niet de minsten. Een van hen, R.W.L. Loeb, is vele jaren lang de schrik van alle vreemdelingen, hun advocaten en lagere vreemdelingenrechters geweest. Zijn rechterlijk beleid heeft aanleiding gegeven tot veel protest, onder anderen van de kant van de hoogleraren Spijkerboer en Groenendijk. De ander, Pieter van Dijk, is een eminent specialist in de mensenrechten, wiens naam verbonden is aan een internationaal gewaardeerd handboek over de Europese Conventie voor de Mensenrechten.

Wat hen bezield heeft om langs slinkse weg in feite toch een Curaçaose openbare orde in te roepen tegen het toekennen van rechtsgevolgen aan het Nederlandse homohuwelijk, is een raadsel. Is dit een vendetta tussen de Hoge Raad en de Raad van State? Heeft de tropenkolder toegeslagen?

H.U.Jessurun d’Oliveira is emeritus hoogleraar internationaal privaatrecht en migratierecht aan de Universiteit van Amsterdam.

    • Ulli D'Oliveira