Burgers in requisitoir

Het Openbaar Ministerie past het vervolgingsbeleid op enkele kleinere onderdelen aan. Dat is geen nieuws. Ware het niet dat er twee jaar van bevolkingsenquêtes en discussies aan voorafgingen: de zogeheten ‘burgerpanels’.

Dat kwam nooit eerder voor. Over het vervolgingsbeleid legde het OM alleen verantwoording af aan de minister en langs die weg aan het parlement. ‘Signalen’ uit de samenleving kwamen in beginsel uit ’s lands vergaderzaal. Wat het OM zoal informeel waarnam op het dorpsplein van media en bestuur speelde alleen zijdelings een rol. Nu heeft het OM echter de steven gewend en zich aangesloten bij al die andere maatschappelijke organisaties die hun boodschap, product of taak aanpassen en fijnslijpen door zich met focusgroepen of consumentenpanels te verstaan.

Als reden geeft voorzitter Brouwer van het college van procureurs-generaal op dat hij meer ‘draagvlak’ zoekt in de samenleving voor de hoogte van de strafeisen.

Impliciet geeft hij daarmee ook aan dat de bestaande legitimatie van het vervolgingsbeleid via minister en parlement tekortschiet. Zo bezien zijn de burgerpanels van het OM een antwoord op een crisis, een poging om de ‘kloof met de burger’ te dichten. En dus een positief gebaar. Brouwer wil de burger beter informeren en directer betrekken bij besluiten van het OM. Hij ziet de panels als klankbordgroepen. Op zichzelf is daar niets op tegen, zij het dat alles afhangt van de mate waarin en de manier waarop met de feedback wordt omgegaan. Voorkomen moet dus worden dat het OM zich loszingt van vertrouwde lijnen van gezag en verantwoording door een eigen achterban te organiseren.

Het eerste resultaat is dat bij agressie in het verkeer de eis naar boven wordt bijgesteld, met een kwart om precies te zijn. Dit is niet meer dan een kleine, symbolische maatregel. En het OM heeft vastgesteld dat de taakstraf door de geënquêteerde burgers niet wordt gezien als een serieuze straf. Daaruit zijn nog geen conclusies getrokken, anders dan dat nader onderzoek nodig is. Maar er wordt correct aangevoeld dat de toekomst van de taakstraf een parlementaire kwestie is. De grenzen van de burgerinspraak worden zo ook meteen duidelijk.

Tegelijk kan niet ontkend worden dat justitie een groot communicatieprobleem heeft. De zittende magistratuur zoekt een antwoord in het schrijven van meer toegankelijke vonnissen waarin beter wordt gemotiveerd. Ook daar zijn experimenten gaande met burgerjury’s waarvan leken en professionals kunnen leren.

Maar voorop dient te staan dat het Openbaar Ministerie, gevolgd door de rechterlijke macht, een eigen, normstellende taak heeft. Daarin zijn zij alleen gebonden aan de wet en de omstandigheden van het individuele geval. Aan officieren die zich rechtstreeks laten leiden door de vergeldingsconjunctuur van het moment, per panel vastgesteld, is geen behoefte. Een zelfstandige bepaling van een strafeis, waarbij van richtlijnen kan worden afgeweken, is een kenmerk van onafhankelijke rechtspraak.