'Bewegingen maken gedachten los'

Al vanaf zijn negende jaar staat het leven van schrijver Jan Siebelink (71) in het teken van de fiets. Altijd staat de fiets klaar. „Je hebt niemand nodig. Dat heeft met vrijheid te maken.”

Jan Siebelink voor zijn Gazelle, een geschenk van Wim Breukink, vader van Erik: ,,Een wonder van lichtheid.” Foto NRC Handelsblad, Rien Zilvold ede schrijver jan siebelink foto rien zilvold Zilvold, Rien

We staan in de garage en bewonderen zijn racefiets. Ineens pakt Jan Siebelink tuingereedschap. Een schoffeltje. „Dit heeft mijn vader tot het eind van zijn leven gebruikt. Een ontroerend object, heeft hij onkruid mee gewied. Ingesleten, net als zijn trouwring. Door de stenen in de aarde. Wat de schoffel was voor mijn vader, is de racefiets voor mij. Ik wil er mijn hele leven mee doen, neem nooit meer een andere. Laat hem slijten, voor zover hij althans te verslijten valt.”

Hij pakt zijn fiets op, met één hand. Met zijn andere streelt hij het frame. Een teder gebaar. „Mooi licht fietsje. Mooie bandjes ook. Die zijn speciaal in Duitsland besteld, handmade. Niet goedkoop. Als je de exacte prijs wilt weten moet je er naar informeren bij de fietsenmaker om de hoek (42,95 euro per stuk, red.).’ Zijn naam staat aan beide kanten in het frame gegraveerd. Een geschenk van fabrikant Wim Breukink, de vader van Erik, na het afscheid van de laatste als wielrenner in 1997. Siebelink was de trainingsfiets van Breukink in het vooruitzicht gesteld, uit dankbaarheid voor een portret dat hij over hem had geschreven. Het werd die van Breukinks ploeggenoot Jesper Skibby. „Het ging om het gebaar, de fiets is er niet minder om. Een wonder van lichtheid.”

We gaan buiten zitten, in de tuin. Met de twee hazewindhonden van de schrijver erbij. „De linkerhond is snel in het demarreren. Dat is Merlijn. Merlijn de Tovenaar die ons vrolijk maakt. De rechterhond is sneller als hij eenmaal op gang is. Heet Haas.” Tijdens het gesprek wendt hij zich soms abrupt tot de honden: „O jongens, wat een weer zeg. O jongens, wat zit ik toch te praten. O jongens, wat een raar mens ben ik toch, een vreemd mens.”

Siebelink, een zelfverklaarde ‘snelle associatieve denker’, houdt van beweging, van snelheid, in mens, dier en machine. Aan de andere kant van de heg staat een sportauto die hij twee jaar geleden kocht, een Mazda MX5. „Olijfgroen, met beige leren bekleding. En een notenhouten dashboard.” Hij laat het kleurenpalet aan zijn geestesoog voorbij trekken, is zichtbaar ingenomen met de combinatie. Tijdens het gesprek noemt hij telkens de kleur van een gebruiksvoorwerp dat hem bekoort: auto olijfgroen, fiets appelgroen, vulpen vlammend rood.

Siebelink heeft geen computer. De eerste versie van zijn verhalen en romans schrijft hij met een Waterman vulpen, voordat hij ze op een Adler typemachine uitwerkt. Knielen op een Bed Violen (2005), waarvan in september de vijftigste druk verschijnt, schreef hij in ruim acht maanden. „Twaalf versies, 84 hoofdstukken, in een roes geschreven”, zegt hij. De manuscripten van alle versies heeft hij bewaard, ze liggen in de kelder. „Alle frivoliteiten zijn eruit gesneden. De kunst was het ritme en de toon van het boek vast te houden. Er zit een klank in het boek. Een vorm van genade. 130.000 woorden waarvan je hoopt dat ze op de goede plaats terechtkomen.

„Er zijn zeker raakvlakken met wielrennen. Een fietser hoopt ook in een ritme te raken, waardoor het als vanzelf gaat. Hij trapt maar en trapt maar – en opeens biedt zich de mogelijkheid aan om te ontsnappen. Dat is mij met dit boek overkomen. De ontsnapping. Ik had het idee dat er nog iets moois aan zat te komen. Dat er iets was wat op mijn tong lag. Toen ik het manuscript inleverde bij de uitgever had ik het gevoel dat ik niet verder kon gaan. Een wielrenner duikt in zichzelf, een schrijver moet diep in zichzelf tasten.”

Vóór deze laatste ontsnapping, de bekroning van zijn schrijverschap zowel in geestelijke als materiële zin, was er een ander cruciaal moment in het leven van Siebelink. Die ontsnapping beschreef hij in Mijn leven met Tikker (1999): ‘Ik liep al tegen de veertig. Het geloof der vaderen heb ik lang volgehouden. Op een triomfantelijke zondag ging ik de kerk binnen, begaf mij over de rode loper van het middenpad in de richting van de avondmaalstafel, bleef abrupt stilstaan. (...) Ik keerde mij om, rende het kerkgebouw uit. In grote haast, bang dat ik teruggeroepen zou worden? Sindsdien ben ik er niet meer teruggekeerd.” Voortaan wijdde Siebelink zich aan de literatuur. In zijn romans heerste hij „als de arbitraire God uit het Oude Testament”.

En toch, de hang naar religie is gebleven. Het mystieke, het religieuze element in wielrennen spreekt hem aan. Knechten offeren zich op voor de kopman, er wordt in de koers geleden. Het mooiste vindt hij het moment van extase bij de coureur die heeft gewonnen. Hij werpt kushandjes naar de hemel, het gebaar van de renner die als eerste over de finish gaat. „Dat gevoel overkwam mij met ‘Violen’. Het hele boek is in een bepaalde euforie geschreven. Acht maanden lang heb ik geen krant gelezen. Sommige passages zijn mij gegeven, daarin ben ik buiten mijzelf getreden.” Hij werkte als een bezetene, van zes uur ’s ochtends tot een uur of half elf. Dan was hij afgepeigerd. „Ging ik eerst met de honden rennen. Daarna soms op de fiets richting Velp. Niet iedere dag, vaak alleen in de weekends. Altijd dezelfde tocht, van ongeveer 80 kilometer. Terug naar waar ik vandaan kom, naar waar het boek speelt. Altijd alleen, een wielerclubje is mij een gruwel. Onderweg dacht ik na over hoe het verder moest, met het boek. Bewegingen maken gedachten los. Sommige scènes werden pas helder in mijn hoofd tijdens het beklimmen van de Posbank.”

Zo is het begonnen. „Als jongetje van een jaar of negen, tien fietste ik van huis naar school door een steile bocht. Dan riep ik, dat was een uitdrukking: ‘Pijnenburg in de bocht’. Elke dag. Pas veel later begreep ik dat (Jan) Pijnenburg een beroemde coureur was, voor de oorlog. Ik gebruikte die uitdrukking zonder dat ik wist wat hij betekende.”

De liefde voor wielrennen zat er al vroeg in, maar kon nog niet worden geconsummeerd. In Velp was geen wielerclub. Dus werd hij lid van de christelijke gymnastiekvereniging Vaardig en Sterk. „Turnen was mijn sport. Ik was goed in springen op de lange mat en in salto’s maken vanaf de grond. Salto’s maak ik nog steeds maar nu vanaf de duikplank, in het zwembad.” Nee, hij deed in zijn jeugd niet aan zeilen, hockey of skiën. „Daarvoor was geen geld. Dat was buiten mijn gezichtsveld.”

Zijn eerste racefiets kocht hij pas toen hij begin dertig was. „Ineens was dat in, ook onder intellectuelen. Het leek wel of iedereen op de fiets zat. Op Hollandse wegen was het bijna een terreur, van die grote groepen wielrenners. Nu is dat helemaal verdwenen.” Zijn eerste racefiets was een Motobécane. Hij nam hem mee met vakantie, bovenop het aanhangwagentje dat achter de Eend slingerde, waarin het gezin Siebelink met drie kinderen door Frankrijk reed. „De fiets liet je gewoon op het wagentje staan, dat voor het hotel stond geparkeerd. Dat kon toen nog. Hoewel, ik vertrouwde het toch niet helemaal. Ik had een touwtje om de fiets gebonden en het andere eind via het openstaande raam van onze hotelkamer aan mijn pols bevestigd. Wie aan mijn fiets zat maakte mij dus wakker. Dat is gelukkig nooit gebeurd.”

Het aantrekkelijke van de fiets is dat hij altijd klaar staat. „Je hebt niemand nodig. Dat heeft met vrijheid te maken. Je kunt zo wegrijden. Geen gedoe met afspraken maken of wachten op anderen.” Eenzelvige fietser tussen Ede en Velp, op zoek naar vorm: „Soms rijd ik als een krant, pap in de benen. Dan denk ik na een kwartier: ‘Ik keer om, het wordt niets vandaag. Het lukt niet.’ De truc is dan om toch verder te gaan. Dan komt het vaak toch nog goed. Ook daarin zit natuurlijk een parallel met schrijven. Je hebt dagen dat je ’s ochtends opstaat en al weet: het wordt vandaag niets met het boek. En soms rijgen de zinnen zich aaneen. De kunst is blijven schrijven, ook als het niet lukt.’

Dit is het eerste van vier interviews met schrijvers over fietsen, in de aanloop naar en tijdens de Tour de France (4-25 juli).