'Azijn pissen' tegen de overheid

‘Wat is waarheid?’, vroeg Pilatus. Niemand die het weet, tenzij men zich beperkt tot een pragmatische vaststelling van feiten. In de journalistiek is een bruikbare werkdefinitie dat waarheid datgene is wat autoriteiten en voorlichters voor het publiek verborgen willen houden, bijvoorbeeld een rapport over de brand in het Catshuis: daar zal wel de waarheid in staan.

Een verbond tussen journalistiek en overheid is dan ook uit den boze. Een dergelijk verbond is vorige week voorgesteld door minister Donner bij de uitreiking van de Anne Vondelingprijs voor politieke journalistiek aan Kees van der Malen. De minister: „Als er ooit een tijd was om de rijen te sluiten, dan is het deze. Om met vereende krachten van politiek, bestuur en media de huidige thermiek om te zetten in een positieve wisselwerking om mensen perspectief, duidelijkheid en zekerheid te bieden.”

Donner hield een geestige en, naarmate hij vorderde, een steeds ernstiger en indringender toespraak, waarin hij de zorg van velen verwoordde over de gevolgen van angst en wantrouwen en over het „weer opklinken” van het geluid dat de oplossing van problemen gelegen is in uitsluiting van anderen, opsluiting en het gebruik van geweld. „Dat wordt dan gerechtvaardigd met een beroep op de bescherming van joods-christelijke waarden en cultuur. Eén ding weet ik zeker, daar waren die waarden nooit voor bedoeld.” Een welkom geluid van deze minister. Voor christelijke waarden gaat men maar naar de kerk, voor joodse naar de sjoel. En voor islamitische naar de moskee.

In één moeite door kregen de media en de journalistiek van Donner een gewichtige taak toebedeeld – er zaten tenslotte voornamelijk journalisten onder zijn gehoor. Welnu, de media moeten hun best doen het vertrouwen in de overheid te herstellen, vindt de minister.

Mooi niet, zou ik zeggen.

De tijd waarin de pers zich dienend opstelde jegens de overheid is al decennia voorbij. Als de media de opdracht aanvaarden uit te leggen hoe goed het gezag het met ons allen voorheeft, wordt het wantrouwen eerder versterkt dan weggenomen.

Wat Donner mooi zou vinden, is als gezag en media de bestaande rolverdeling zouden loslaten. Nu versterken zij in onderlinge wisselwerking het beeld van „tekortkomingen, misstanden, onopgeloste problemen en alles wat maar naar ‘fraude’ riekt”. Volgens de minister dreigt daardoor een cultuur te ontstaan van wantrouwen. Het ‘azijn pissen’ tegen de overheid ondermijnt het vertrouwen. Door al die kritiek, onthullingen en verwijten weten de mensen niet meer beter. Ophouden dus met alles betwijfelen, alles bekritiseren en het slechten van taboes.

In 2004 hield Donner een rede op de Dag van de Persvrijheid. Ook toen klaagde hij dat de journalistiek excessen genereert en voortdurend het onvermogen van overheden aan de kaak stelt: „Bij iedere andere tak van bedrijvigheid, waar de producten zo belangrijk zijn voor de samenleving en het gevaar van verlies van kwaliteit zo groot, had de wetgever allang ingegrepen.”

Daar kreeg hij zo’n gedonder mee, dat hij dit keer met de nodige zelfspot bekende indertijd „in jeugdige overmoed” te hebben gesproken: „Ik heb geleerd, ik zag dat helemaal verkeerd.” Maar ondertussen. In feite ging de minister nog een stap verder dan voorheen. Nu zei hij dat het (door hem erkende) belang van een betrouwbare, kritische en verhelderende pers „helaas tegenwoordig te vaak vereenzelvigd wordt met de vrijheid van meningsuiting”. Want „onze Grondwet kent geen vrijheid van meningsuiting”.

Pardon? Het is natuurlijk waar dat de vrijheid van meningsuiting in de Grondwet is geformuleerd als een gebod aan de overheid zich te onthouden van voorafgaand toezicht op de media. Maar het Europese mensenrechtenverdrag, dat boven de Grondwet gaat, bepaalt: „Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen.” Ook de vrijheid van nieuwsgaring is vastgelegd.

Waarom zou de minister dan ineens zoveel betekenis toekennen aan het ontbreken van het begrip ‘vrijheid van meningsuiting’ in de Grondwet? Heeft Rutte wellicht toch gelijk als hij nieuwe wetgeving nodig vindt om die vrijheid te garanderen? Als de regering op dit punt niet te vertrouwen is – daar heb je die vertrouwenskwestie weer! – dan moet men erkennen dat de VVD terecht vreest dat de vrijheid van meningsuiting in gevaar is.

Donner beklaagde zich aldus: „Dagelijks worden we bedolven onder een vloed aan berichten over hoe het misgaat of mis kan gaan; over overheden en andere autoriteiten die fout op fout stapelen bij de aanpak van alles wat ze doen.” Vandaar zijn pleidooi voor het „sluiten van de rijen”. De kern van Donners redenering is dat de media in feite Wilders in de kaart spelen met onthullingen over slecht bestuur. Volgens hem moet de journalistiek het vertrouwen in de overheid helpen herstellen. Ik zou zeggen: doe het zelf!

Een aardige parallel is het idee van de aanstaande korpschef van de regiopolitie Twente, Sitalsing, om journalisten in te schakelen bij het opsporingswerk. „Ze kunnen echt enorm goed onderzoeken.” Bij de politie is er, zegt hij in De Telegraaf, niemand die na een moord meteen begint zoveel mogelijk informatie overal vandaan te halen. „Journalisten doen dat wel. En ze kunnen een bestuurlijke rapportage schrijven.”

Wat is er logischer politieverslaggevers het werk van rechercheurs te laten doen? En Haagse redacteuren het werk van voorlichters, pr-mensen en communicatieadviseurs? En columnisten het werk van politici? Maar wie controleert de macht nog als iedereen wordt aangespoord met de macht mee te doen?

Reageren kan op nrc.nl/etty (Reacties worden openbaar na beoordeling door de redactie.)