Teleurstellingen en revelaties

Nieuwsanalyse

Het Holland Festival had last van tegenvallende grote namen. De muziek was wel vaak van wereldklasse.

Met de Japanse poppenkast Bunraku sloot gisteravond het Holland Festival in Amsterdam, een editie met veel grote namen die teleurstelden, maar die ook openbaringen bracht, vooral in de hedendaagse muziek. Het festival verkocht ruim 73.000 kaartjes, tweeduizend meer dan vorig jaar, maar een kwart minder dan het gelijktijdige Oerol op Terschelling. Dertig van de negentig voorstellingen waren uitverkocht, de zaalbezetting was gemiddeld 84 procent.

Krijg je wereldklasse te zien op het Holland Festival? Ja, maar dit jaar dan wel deels tegenvallende wereldklasse. Danser Michail Barisjnikov is een van de grootste dansers van de twintigste eeuw, maar nu is hij éénenzestig, en stemde zijn optreden, festivalopening, vooral melancholisch. Christoph Slingensief, de theatermaker die met Eine Kirche der Angst een kerkdienst maakte over zijn longkanker, was exemplarisch voor de andere festivaltraditie: ophef en schande. Zijn indrukwekkende en overrompelende performance zorgde voor beroering en had enthousiaste voor- en tegenstanders.

Het Duitse theater was wederom terecht goed vertegenwoordigd; zo konden we intens genieten van een deel van het Duitstalige oeuvre van Nederlandse regisseur Johan Simons. Hiob was een hoogtepunt in zijn werk. Woyzeck van Martin Kušej was een voorbeeld van veelbelovend theater dat teleurstelt. Ook Ivo van Hove’s Antonioni Project, met vrijwel de voltallige Toneelgroep Amsterdam, valt in die categorie.

Op muziekgebied maakte het festival met de vier concerten rond de Fransman Pascal Dusapin een inhaalslag voor Nederland. Er klonk fantastische instrumentale muziek, maar de grootste indruk maakten zijn opera’s. De melancholische verstilling van Passion – een festivalproductie, regie van Pierre Audi zelf – was onvergetelijk en adembenemend.

Festivalexperimenten in de grensgebieden tussen verschillende genres leidden veelal tot tegenvallers. I Went To The House but I Did Not Enter was een niet helemaal geslaagde mix van theater en eigentijdse muziek; zowel theatraal als muzikaal kwam het idioom van Heiner Goebbels minder sterk tot zijn recht dan in eerdere producties. Ook Audi’s eigen Nederlandse Opera presenteerde fraaie, maar niet geheel geslaagde voorstellingen. Rob Zuidams Adam in Ballingschap bood mooie momenten naast zwakke plekken. Die waren wellicht het gevolg van haast: een andere festivalpremière, een liederencyclus, kreeg Zuidam niet op tijd af.

De integrale uitvoering van het oeuvre van Edgard Varèse, perfect op zijn plek in de Gashouder, was muzikaal even onmisbaar als vlekkeloos gespeeld door het ASKO/Schönmberg Ensemble, maar de beelden van Gary Hill voegden daaraan slechts ergernis toe. Misbaar bleek ook het ‘multimediale’ Bartók-programma van het Concertgebouworkest, dat in de opera Carmen de passie buiten de deur hield in de wat stroeve samenwerking met nieuwe operachef Albrecht. Dat kunstvormen wel op hoog niveau kunnen samensmelten, toonde Sasha Waltz in de dansopera Medea. Juist met dit soort producties in het niemandsland tussen traditioneel gescheiden genres kan het festival zich sterker onderscheiden.

    • Mischa Spel
    • Wilfred Takken
    • Jochem Valkenburg