Platgewalst door geld

ABN Amro krijgt er weer 2,5 miljard aan staatssteun bij, in verband met het ontvlechten van de mislukte overname van de bank door Fortis, Santander en Royal Bank of Scotland. Het is aannemelijk dat dit niet de laatste extra steun is die ABN Amro van de overheid zal krijgen.

Minister Bos (Financiën, PvdA) wil intussen Nederlandse pensioenfondsen verzoeken om een strategisch aandeel te nemen in de financiële sector. Van alle kanten gaat er weer geld van het publiek naar de banken en verzekeraars, met als motief dat het niet anders kan. Zonder steun vallen ze om. En zonder strategisch Nederlands bezit loopt al dat geld kans straks te verdwijnen in de zakken van een gehaaide overnemer uit het buitenland. De burger draagt nu bij met leningen, garanties en eigen vermogen, en wordt dus ingezet over de gehele bankbalans.

In Den Haag is tegelijkertijd de parlementaire commissie ingesteld die onderzoek moet doen naar de oorsprong van de kredietcrisis. Uit de bevindingen van deze krant, afgelopen zaterdag, blijkt dat het parlement grotendeels buitenspel heeft gestaan – en zich af en toe zelf in die positie heeft gemanoeuvreerd – toen de afgelopen vijftien jaar de regels voor banken dusdanig werden versoepeld dat zij voluit konden deelnemen aan de hausse op de financiële markten die hen later in de problemen bracht. De branche zelf, met een forse kennisvoorsprong en een geoliede lobbymachine, gaf de wet- en regelgeving deels zelf vorm.

De Tweede Kamer moet zich deze gang van zaken aantrekken. Hoewel van het parlement geen specialistische kennis op alle terreinen mag worden verwacht, mogen Kamerleden wel worden aangesproken op hun vermogen om essentiële onderwerpen te scheiden van minder relevante en om daar ook naar te handelen. Lessen trekken en schoon schip maken behoren tot de voornaamste opdrachten van het parlementaire onderzoek, dat overigens veel beter een enquête had kunnen zijn maar het om politieke redenen niet mocht worden. Maar de grootste financiële steunoperatie door de overheid ooit moet het doen met vrijwillige bijdragen van de hoofdrolspelers. De eerste inschattingsfout is dus alweer gemaakt.

Zo wordt de Kamer vermalen tussen talloze krachten: een superieure kennis en een professioneel lobbyapparaat bij de banken, eventuele politieke reputatieschade van ministers en kadaverdiscipline van de coalitie.

Dit is niet alleen het krachtenveld uit het verleden. Het blijft relevant. Kamer en regering werken aan een drastische herziening van de wet- en regelgeving in de financiële sector. Ook nu is het risico groot dat het belangenapparaat van de branche de scherpe kanten ervan af zal willen slijpen: met verwijzing naar de winstgevendheid, de internationale concurrentiepositie en de noodzaak tot innovatie.

Van de Kamer mag worden verwacht dat zij geen tweede maal over zich heen laat lopen. En voor de banken geldt dat ze na de miljarden euro’s steun en enorme maatschappelijke schade op zijn minst terughoudend zouden moeten zijn.