Niemand kan Khamenei zijn paleis uit twitteren

De opstand in Iran zou de eerste ‘Twitterrevolutie’ zijn. Het is het mediagekwetter van het moment. De term verbindt een jong communicatiegadget met actueel historisch drama. Wat wil je nog meer als journalistieke duider? Maar is het een zinvolle manier van spreken? Ter vergelijking: werd Nederland in 1945 bevrijd door Radio Oranje? Viel het Sovjetregime in 1989 door de samizdatliteratuur?

Natuurlijk, het verzenden van korte groepsberichtjes is een handige manier van informatie delen en demonstraties organiseren. Bovendien hadden de Iraanse autoriteiten de impact van Twitter niet meteen door. Na de gestolen verkiezingen van 12 juni legden ze delen van het internet en het sms-verkeer plat, maar vergaten ze het sociale netwerk van 140-karakters-berichten.

Het belang van Twitter werd zo groot geacht dat het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken het bedrijf achter Twitter vroeg de voor 19 juni geplande onderhoudswerkzaamheden uit te stellen. Wellicht kon het vuur van de opstand in Teheran zo brandend worden gehouden. Afgelopen donderdag haalde het regime Twitter alsnog uit de lucht.

Informatietechnologie heeft de machtsverhouding tussen burgers en regeerders veranderd. Internet is lastiger te controleren dan de drukpers. Maar controle en censuur blijven. Het leidt tot een wapenwedloop van de communicatie: de vrijheid die een nieuw medium aan burgers biedt, wordt op de hielen gezeten door de extra controlemogelijkheden die hetzelfde medium de staat verschaft. In China blokkeerde de regering vorige week de toegang tot het internationale zoekadres google.com, onder meer omdat Googles Chinese poot (google.cn) toegang tot buitenlandse sites gaf. In Iran waarschuwden de twitteraars elkaar niet hun echte naam prijs te geven; wie zich aansloot op het netwerk #iranelection was te identificeren als dissident. ‘Digitale vingerafdrukken’ – een sms’je, een bezochte website – kunnen als bewijsmateriaal worden ingezet in politieke processen, net als onder de Sovjetdictatuur het bezit van illegale krantjes.

Vandaar wellicht dat ‘mond-tot- mond’ in Teheran en de andere steden waar de opstand nasmeult opnieuw de belangrijkste informatiebron is, aldus volhoudende demonstrante ‘Leyla’ in de Financial Times van 26 juni jl. Je kunt niet miljoenen monden met een druk op de knop het zwijgen opleggen. Het regime dat het toch probeert (met spionage, verklikkers, massa-arrestaties) ontwricht de hele samenleving.

De veerkracht van het oude ‘mond-tot-mond’ relativeert het gepraat over moderne communicatiefoefjes. Hoeveel virtuele ruimtes, digitale netwerken en rapporten over internetdemocratie ook: de lichamen blijven in de politiek.

Niemand kan Khamenei zijn paleis uit twitteren. Het zijn alleen mensen van vlees en bloed die de eigen machthebbers kunnen verdrijven. Mannen en vrouwen die hun angst te worden neergeschoten overwinnen, die warmte en kou trotseren, die stenen gooien of voor een tank gaan staan en zichtbaar en hoorbaar en met velen zijn ... buiten. Revoluties vinden plaats op straat, in de openbaarheid. De straat tegen de staat, het plein tegen het paleis.

Machthebbers bouwen pleinen om zich door de massa toe te laten juichen. Zij hebben publiek nodig om zich legitiem te weten. Het is overigens geen kenmerk van dictaturen. Ook koningin Beatrix in haar koets is verheugd als er op Prinsjesdag vijftigduizend mensen naar Den Haag komen om haar toe te zwaaien, liever dan een handjevol. De instemming van de bevolking waarop elke politieke macht rust, moet af en toe zichtbaar worden gemaakt.

Tegelijk kunnen die pleinen en binnenhoven zich elk moment vullen met een mensenmenigte die de regeerders wegwenst en uitdaagt. Deze spanning is onontkoombaar. Soms staan straat en staat eenduidig tegenover elkaar: Plein van de Hemelse Vrede, mei-juni 1989. In Teheran, waar het regime zelf splijt, waren er afgelopen weken twee menigten die elkaar afwisselden: regeringsaanhangers met bussen uit het hele land aangevoerd, opposanten vrezend voor lijf en leden.

Heel soms kantelt één en hetzelfde publiek op een precies moment van gezagsgetrouw naar opstandig. Zoals op een plein in Boekarest, 21 december 1989. De officiële televisiebeelden van deze fascinerende gebeurtenis zijn te zien in de film Videogramme einer Revolution (1992) van Harun Farocki. De Roemeense dictator Ceausescu hield een toespraak op het balkon van zijn paleis. Wegens protesten in een grensstadje wilde hij ‘enkele onruststokers’ kapittelen ten overstaan van tienduizenden op het plein en honderdduizenden voor de televisie. De rede kabbelt voort, tot er in de menigte iets voorvalt, buiten beeld voor de tv-camera’s, maar blijkbaar wel zichtbaar vanaf het balkon. Een scheut verbijstering en paniek doortrekt Ceausescu’s gezicht. De camera schokt, aarzelt. Dan gaat het beeld op storing. De volgende dag kiest het Roemeense leger de kant van de demonstranten.

De openbare ruimte die de Iraanse demonstranten na 12 juni hadden veroverd op de grote pleinen van Teheran is hun met traangas, knuppels en kogels ontnomen. Niet langer protesteren honderdduizenden dagelijks op straat tegen het regime; schijnbaar nog slechts honderden. Maar de geknechte lichamen schiepen een nieuwe openbaarheid. Is de zichtbaarheid van de straat te gevaarlijk? Dan resteert de hoorbaarheid vanuit ieders huis, in het duister van de nacht. Elke avond, om 10 uur, klinkt vanaf duizenden daken in Teheran in een koor van stemmen ‘Allahu akbar’, ‘Allah is groot’. Het is de kreet van de islamitische revolutie uit 1979, nu ingezet tegen het bewind dat eruit voortkwam.

Of zullen ook deze stemmen spoedig zijn afgeknepen? Wanneer de publieke ruimte zich in arren moede naar de hemel richt, is de politieke vrijheid ver.

Wilt u reageren? Dat kan op nrc.nl/middelaar (Reacties worden openbaar na beoordeling door de redactie.)

    • Luuk van Middelaar