Masserend tussen Hells Angels en vastgoedbaronnen

De Amsterdamse raad praat woensdag over hervatting van de aanleg van de Noord-Zuidlijn. Voor Hans Gerson, nu wethouder, is de metrolijn niet het eerste lastige bouwproject.

Hans Gerson onderhandelde met aannemers over bouwwerken in Amsterdam en praat nu met hen over de Noord-Zuidlijn. (Foto Bram Budel)Nederland, Amsterdam, 26-06-2009 Wethouder van de gemeente Amsterdam Hans Gerson van verkeer, vervoer en infrastructuur waaronder de Noord Zuidlijn en de taxi's vallen en volkshuisvesting, monumenten en archeologie. Hij staat op het verkeersknooppunt meester visserplein. foto: Bram Budel Budel, Bram

Het Muziekgebouw aan het IJ in Amsterdam is spectaculair. De architecten hadden het nog spectaculairder willen maken, met een glazen dak boven de hal. Maar Hans Gerson, die eind jaren negentig de bouw coördineerde namens de gemeente Amsterdam, vond dat te moeilijk, te gevaarlijk en te duur. Hij speelde het hard, zegt Jan Wolff, die toen directeur was van het gebouw voor hedendaagse muziek. „Hans zei tegen de architecten: als jullie vasthouden aan dat glazen dak, stoppen we met het project.” De architecten bonden in.

Het glazen gebouw aan het water geldt nu als blikvanger aan het water en symbool van de ‘nieuwe Gouden Eeuw’ van Amsterdam, die in de jaren negentig begon met grootschalige nieuwbouw en een economische opbloei.

Hans Gerson bouwde de afgelopen twintig jaar als baas van het grondbedrijf en van het havenbedrijf mee aan de stad – van de ontwikkeling van de Zuidas tot de containerterminal in de haven. Hij onderhandelde hard en handig en gaf vaak een beslissend duwtje. Maar zijn optreden speelde zich bijna altijd af in de coulissen; hij was dienstbaar aan de bestuurders van de stad en altijd gericht op het belang van de gemeente. Een typische topambtenaar. „Ik beschouw bureaucraat nog als een eretitel”, zei hij ooit in een interview.

De verrassing was groot toen hij vlak voor zijn pensionering alsnog in de schijnwerpers kwam te staan. Drie maanden geleden werd Hans Gerson ‘wethouder Noord-Zuidlijn’, de nieuwe metroverbinding waarover zijn voorganger struikelde. Komende woensdag is zijn eerste echte vuurproef, als de gemeenteraad debatteert over zijn voorstel de aanleg van de lijn te hervatten. Door de overschrijdingen van budget en in tijd, en meer nog door de verzakkingen van huizen aan de Vijzelgracht, is de aanleg omstreden in de stad.

Achteraf zeggen mensen dat Hans Gerson eigenlijk de ideale man is om deze klus te klaren. „Een trouvaille” van PvdA-leider Lodewijk Asscher, die zijn naam door twee partijgenoten kreeg ingefluisterd.

In de schaduw van de macht heeft Gerson een scherp politiek gevoel ontwikkeld en toonde hij zich creatief in het oplossen van conflicten en praktische problemen. „Het grondbedrijf en het havenbedrijf gelden als een slangenkuil en ik heb die overleefd”, zegt hij zelf.

Johannes Hein Gerson (Den Haag, 1947) lijkt dat te danken te hebben aan een zekere onopvallendheid. Hij woont sinds de jaren zeventig in hetzelfde huis in Amstelveen, rijdt in een tweedehands auto en nog veel vaker fietst hij de tien kilometer naar het stadhuis. Hij is lid van de PvdA, maar tot hij wethouder werd, wisten niet veel mensen dat. Hij doet geen grote uitspraken en opent geen vergezichten. „Het is geen enorm visionaire man”, zegt zijn schaatsvriend Ruud Bergh, directeur Schiphol Area Development Company.

Het meest opvallend is zijn sportiviteit. In de winter schaatst hij: twee keer per week en jaarlijks de 200 kilometer lange schaatstocht op de Weissensee. In de zomer speelde hij tot twee jaar geleden cricket. „Zelfs als hij 150 runs heeft geslagen, klopt hij zich niet op de borst”, zegt cricketvriend Dik Karsten.

Gerson leerde bescheiden te zijn op het stadhuis van Amsterdam. Na zijn studie economie in de jaren zeventig begon hij er zijn ambtelijke loopbaan, die bijna 35 jaar zou duren. Als jonge bestuursambtenaar notuleerde hij de collegevergaderingen en assisteerde hij Jan Schaefer, de wethouder die de ingezakte woningbouw in Amsterdam weer op gang bracht. Gerson leerde van hem onderhandelen en bluffen, zegt hij: „Je moet alleen bluffen als je de consequenties kunt dragen.”

Bluffen deed hij in 1992, bij de toen nog prille opzet van de Noord-Zuidlijn. Bij zijn aantreden als directeur van het grondbedrijf in 1990 lag er een plan van architect Rem Koolhaas voor een bouwproject aan de IJ-oevers, mét een metrolijn. Uitvoering bleek onbetaalbaar, maar Gerson hield het naar buiten toe lang genoeg in leven om de financiële steun van het Rijk voor de metrolijn binnen te halen – met succes.

Nadat het in Gersons ogen megalomane plan van Koolhaas was gesneuveld, bedachten de ambtenaren de zogeheten ankers aan het IJ: aantrekkelijke overheidsgebouwen die bedrijven moesten verleiden er te investeren. Het Muziekgebouw was zo’n anker. Gerson kreeg het onder zijn hoede nadat een adviseur met ruzie was vertrokken. Onder Gersons toezicht werden een paar liften geschrapt en de luifel een paar meter ingekort om de perfecte concertzaal te kunnen betalen.

Het geluidsniveau van de klimaatbeheersing was de inzet van een zware strijd met de aannemers. De leverancier van de airconditioning vond 35 decibel acceptabel, toenmalig directeur Wolff wilde niet meer dan 10 decibel in de concertzaal. „Dat is alleen veel duurder. Gerson stelde vast dat mijn eisen in de notulen stonden en heeft de leverancier het mes op de keel gezet.” Nu hoeft tijdens concerten de airco niet uit.

„Het spel met de aannemers beheerst Gerson goed en dat zal hem van pas komen bij de Noord-Zuidlijn”, zegt Duco Stadig, die als oud-wethouder lang zijn baas was. Bij de opening van het Muziekgebouw in 2005 zat Gerson naast koningin Beatrix tijdens een rondvaart door de grachten, zonder verantwoordelijk wethouder Stadig. „Hij was vergeten mij uit te nodigen”, zegt Stadig. IJdelheid? „Nee, zo ijdel is hij niet, gewoon slordig.”

Gerson: „Ik had er echt niet aan gedacht.”

Gerson bezoekt het Muziekgebouw nog wel eens, maar vooral omdat zijn vrouw er graag is. Hij heeft een Britse vrouw die niet van cricket houdt en saxofoon speelt. Samen hebben ze een zoon en een dochter. Met vrienden gaat het echtpaar elk jaar in Naarden naar de Matthäus Passion. „Dat is niet alleen een lijdensweg voor Christus, maar ook voor Hans”, zegt boezemvriend Ko Blok. Ruud Bergh: „Binnen een kwartier valt hij in slaap. Toch gaat hij al jaren mee, voor de gezelligheid.”

Hans Gerson heeft de kunsten wel van huis meegekregen. Zijn vader was de vermaarde Rembrandtkenner Horst Gerson, die in de jaren dertig als Jood uit Duitsland moest vluchten. Zijn moeder is een kunsthistorica, die met haar man musea in de wereld afreisde. Ze is honderd jaar en woont in Groningen.

Hans Gerson benadrukt vooral de overheidssfeer van zijn jeugd, die zich voltrok in ambtenarenstad Den Haag: „Mijn vader kwam na zijn vlucht te werken bij een rijksbureau in Den Haag.”

Al vroeg voorbestemd om ambtenaar te worden, zou je kunnen zeggen, of in elk geval ambtenaar uit roeping. Bij de jaarlijkse tocht op de Weissensee praat Gerson graag met zijn vrienden over de ‘publieke zaak’, vertelt Ko Blok: „Bijvoorbeeld over de vraag in welke rol je het algemeen belang het best kan dienen.” Blok was baas van het grondbedrijf in Rotterdam, maar stapte over naar het bedrijfsleven: „Daar hebben we over gesproken. Hans heeft een overstap naar het bedrijfsleven nooit overwogen.”

Gerson is totaal ongevoelig voor de verleidingen van het grote geld, zeggen mensen in de wereld van het onroerend goed. Dat is tamelijk bijzonder, want soms blijken ambtenaren gevoelig voor gunsten bij de afwikkeling van transacties van honderden miljoenen euro.

Makelaar Joseph Elburg: „Bij Hans Gerson staat het belang van de gemeente zo voorop, dat elk idee om hem eens een cadeautje te geven bij voorbaat kansloos is. Het contact met hem kwalificeer ik dan ook niet als ‘gezellig’, maar als ‘prettig’.”

Gerson had in de jaren negentig veel met vastgoedbaronnen te maken bij de ontwikkeling van onder meer de IJ-oevers en de Zuidas. Elburg: „Als we ergens een probleem hadden, belde ik hem. Veel ambtenaren hebben de neiging je aan het lijntje te houden. Hans Gerson zei binnen vijf minuten ‘ik kan niets voor je doen’ of ‘we gaan het regelen’.”

De Amsterdamse Hells Angels hebben dezelfde ervaring met Gerson, die met hen onderhandelde over het terrein van hun clubhuis. De gemeente wilde er huizen bouwen. „Gerson kwam zelf naar het clubhuis om te praten en met z’n allen verzonnen we een oplossing, namelijk dat de gemeente elders een nieuw clubhuis zou bouwen. Hij is een prettige en integere man”, zegt Huib Struijcken, advocaat van de Hells Angels. Nadat justitie een onderzoek startte, besloot de gemeente Amsterdam het terrein te ontruimen, zonder compensatie. In de procedure die daarover loopt bij het Hof in Amsterdam, willen de Hells Angels Gerson horen als getuige.

Enkele Hells Angels waren aanwezig bij de afscheidsreceptie van Hans Gerson, toen hij in 2000 overstapte naar het havenbedrijf. Wethouder Harry Groen vond dat de vorige baas, Godfried van den Heuvel, die het Havenbedrijf als een onderkoning bestierde, er lang genoeg had gezeten.

Groen: „Een bourgondiër was hij, wat in een bepaalde fase van de haven goed is geweest. Maar de tijden veranderden, klanten werden rationeler. Ze kozen niet meer alleen wegens zakendiners. De haven moest rationeler geleid worden.” Met Gerson moest er een zakelijke wind gaan waaien in de haven, die altijd als het kleine broertje van Rotterdam werd gezien.

De containerterminal die door Gersons voorganger was gebouwd, had aanvankelijk geen klanten. Gerson reisde daarom de wereld af om rederijen te bewegen Amsterdam in de route op te nemen. Het was zijn idee om met een Amsterdamse handelsdelegatie naar China te reizen. Hij opende een kantoor van de Amsterdamse haven in Shanghai. Op de reizen functioneerde hij als reisleider. Hij zorgde ervoor dat iedereen stipt om zeven uur aan het ontbijt zat.

De verre reizen maakten Gerson tot de ambtenaar met de hoogste onkostendeclaraties, maar brachten uiteindelijk drie rederijen binnen. Door de economische crisis zijn er twee weer weg.

Gerson beijverde zich ook voor een tweede zeesluis bij IJmuiden, volgens hem onontbeerlijk voor verdere groei van de haven. Van de onderzoeksrapporten die een rijksbijdrage moesten rechtvaardigen, maakte het Centraal Planbureau (CPB) echter gehakt. De kosten van een tweede zeesluis wogen niet op tegen de baten.

Toch is Gerson de tweede zeesluis blijven verdedigen. Toenmalig CPB-onderzoeker Taco van der Hoek: „Wat me toen opviel, is dat hij toch steeds aan het plan is blijven werken. Hij bleef kijken of de kosten konden worden verlaagd. Ons rapport was een teleurstelling voor hem, maar dat heeft nooit geleid tot enig persoonlijk verwijt. Hij heeft het constructief opgepakt.”

Gerson probeert al masserend zijn gelijk te krijgen, zegt zijn belastingconsulent en vriend Tommie Nooij. „‘Er zit wel wat in wat je zegt’, zegt hij dan, ‘maar ik moet je toch tegenspreken’. Je gaat je bijna schuldig voelen.”

Directeur Hans Bakker van congrescentrum Rai herkent dit: „Hij probeert de ander zelf uit te laten vinden dat die zijn visie moet delen. Hij heeft een mening, maar hij geeft anderen het gevoel dat zij het bedacht hebben.”

Hans Gerson is zo steeds meer de probleemoplosser van Amsterdam geworden. De Beurs van Berlage was lange tijd een bodemloze put voor gemeentegelden. Het stadsbestuur vroeg hem in het bestuur zitting te nemen. Gerson maakte daar een begin met de langdurige sanering van de financiën. Onder zijn bewind zijn ook de funderingen van het gebouw versterkt, met het oog op de komst van de Noord-Zuidlijn.

De Hollandsche Schouwburg, waar tijdens de Tweede Wereldoorlog Joden werden verzameld voor zij op transport gingen, is een vermaard monument dat lang in slechte staat verkeerde. Oud-burgemeester Ed van Thijn, die zelf als kind werd gered uit de Schouwburg, vroeg Hans Gerson om hulp. Met de andere bestuurders wist Gerson particulieren te bewegen om bij te dragen aan de restauratie. „Mij ook”, vertelt Elburg. „In dit soort gevallen wordt altijd een beroep gedaan op Joodse Amsterdammers.”

Gerson heeft zelf niets met zijn Joodse wortels, zegt hij: „Als ik iets ben, is het atheïst.” Alleen Stadig meent wel eens affiniteit met het jodendom te hebben gezien: „Over zijn omgang met Joodse vastgoedmensen in Amsterdam sprak hij een beetje in ons-kent-ons-termen.” Gerson: „Als dat al zo was, dan was het tegen beter weten in.” Een beetje bluf dus.

    • Esther Rosenberg
    • Karel Berkhout