Gesink is eigenlijk altijd wel goed. Maar nu is hij super

Iedereen gunde Koos Moerenhout zijn tweede nationale wielertitel.

Robert Gesink toonde bijna stiekem dat hij klaar is voor een bijzonder Tourdebuut.

Klappend en grijnzend reed een fris ogende Robert Gesink gisteren achter in het peloton over de finish op het sfeerloze Megaland in Landgraaf. Net als iedereen gunde de jonge klimmer, die komende zaterdag debuteert in de Ronde van Frankrijk, zijn ploeggenoot Koos Moerenhout diens tweede nationale titel op de weg in drie jaar. „Mooie kerel, goeie renner”, klonk het alom.

De media verdrongen zich op de paardenrenbaan om de 35-jarige kampioen, die ondanks zijn titel en goede vorm net als in 2007 niet mee mag naar de Ronde van Frankrijk en kritiek had op het selectiebeleid van zijn eigen ploeg. Of rond nummer twee Kenny van Hummel, de sprinter van Skil-Shimano, die huilend terugkeek op een sterke wedstrijd. Druk was het ook rond de verrassende nummer drie, Joost van Leijen van het kleine Van Vliet-WEBA. En intussen fietste Gesink tussen alle commotie rustig naar de veilige ploegbus.

Wat moest hij zeggen na het NK, de laatste wedstrijd voor de Tour? Zijn benen hadden alles al verteld. Na een lange, drukkend warme dag toonde Gesink (23) zich in de laatste drie ronden op de twee korte klimmetjes in het parcours de sterkste van allemaal. Vier keer reed hij iedereen uit het wiel, in de jacht op een door uitblinker Maarten Tjallingii (Rabo) geleid groepje vroege vluchters. Maar de ‘Oliemolenstraat’ en ‘Kleekampsweg’ bleken minder selectief dan de Mont Ventoux of Tourmalet, die straks wachten in de Tour. Of dan de klimmetjes op eerdere Limburgse NK-parcoursen, waarop Michael Boogerd in het recente verleden ten minste nog driemaal kon tonen dat hij de sterkste renner van zijn generatie was.

Gesink wilde vooraf graag in het rood-wit-blauw naar de Tour, zoals zijn vroegere favoriet Boogerd dat ook deed. „Maar Robert weet vooraf ook dat de concurrentie direct reageert als hij of Lars Boom zijn kont optilt”, zegt Rabotrainer Louis Delahaye. Om vervolgens direct te glunderen dat hij als best ingevoerde Gesink-watcher genoeg had gezien op het NK. „Volgens onze planning moest Robert nu op zijn top zijn, een week voor de Tour. En hij is super.”

The story of his life: alles wat Gesink plant, komt minimaal uit. Zege in de koninginnerit in de Ronde van België in zijn eerste profjaar, uitblinker in Parijs-Nice (Mont Ventoux!) in het tweede jaar, zevende in de Ronde van Spanje bovendien. Rapportcijfers tijdens de training ondersteunen het succes: als eerste en enige Raborenner schoot hij vorig seizoen bij een inspanningstest door de magische grens van 500 Watt. Getallen die Lance Armstrong in zijn beste tijd nauwelijks haalde. En hoe gehard hij is, bleek dit seizoen in de Amstel Goldrace. Hij reed dwars door de pijngrens, tot een scheurtje in zijn kniepees toe. „En als ze mijn andere been onder de scanner hadden gelegd, hadden ze daarin waarschijnlijk ook microscheurtjes ontdekt.” Als mens zo stabiel als een huis, verzekert zijn manager en ex-Rabodirecteur Theo de Rooij, die het supertalent voor liefst vijf jaar vastlegde.

Na de klassiekers nam Gesink zes dagen rust, ging rustig trainen en met de ploeg op hoogtestage naar de Sierra Nevada. Daarna ‘vloog’ hij in de Dauphiné Libéré: goed in de tijdrit, uitblinker op de Mont Ventoux, vierde in het eindklassement. En volgens de wetten van de hoogtetraining was hij nog niet eens in topvorm. „Het effect van zo’n hoogtestage ijlt na”, legt Delahaye uit. „Als je van hoogte terugkomt, ben je drie dagen goed en dan een week slecht. Vervolgens groei je in twintig dagen naar je topvorm. Die moet je vier tot zes weken kunnen vasthouden.”

De trainer wil niet reageren op de kritiek die Adri van Houwelingen afgelopen weekeinde in het AD uitte op de hoogtestage in mei. De ervaren Raboploegleider wees op het risico dat renners, net als dit voorjaar, te vroeg in vorm zouden zijn. Op het NK speelden de Nederlandse Tourrenners van Rabo (Laurens ten Dam, Joost Posthuma, Stef Clement) geen hoofdrol. Op Gesink na, door van Houwelingen een uitzondering genoemd „die bijna altijd goed is”.

Of Gesink dit jaar als Nederlandse klassementsrenner al meteen de opvolger kan worden van Boogerd, die in 1998 als vijfde eindigde in de Tour? Dagen er ritzeges, witte trui? Of moet hij zich opofferen in dienst van de Russische kopman Denis Mensjov, winnaar van de Giro? „Robert moet het dag voor dag bekijken en vooral rustig zien te blijven”, zegt Delahaye. „Ik heb hem aangeraden een paar uur per dag zijn telefoon uit te zetten.”

Dat had de jonge schaduwkopman goed begrepen, toen hij na de titel van Moerenhout gisteren grijnzend doorreed naar de bus. Geen kampioenstrui, maar wel rust.