Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Boeken

En nu nokken, halve zool!

Contacten tussen Engelstalige opvarenden en Nederlandse vissers en havenarbeiders hebben allerlei taalsporen nagelaten.

Vorige week waren we in deze taalrubriek geëindigd bij de woorden bikwanner en biekwammes, twee verbasteringen van het Engelse (a) big one.

Je leest soms dat dit specifiek Rotterdamse woorden zijn en dat ze zijn ontstaan in de haven, uit contacten tussen Engelse opvarenden en Nederlandse havenarbeiders. Dat laatste klopt wel, maar in feite deden dergelijke contacten zich in allerlei haven- en vissersplaatsen voor. En dus vind je dit soort verbasteringen in diverse dialecten. Zo zeggen of zeiden ze op Terschelling, zo meldde een lezer: „Doe je kovekootje aan”, waarbij kovekoot(je) een verbastering is van het Engelse cover coat.

In allerlei dialecten, van Groningen tot in Zuid-Holland, is vanaf het eind van de 19de eeuw het woord studdie aangetroffen, meestal in de verbinding studdie (a)an. Zo is aan het eind van de 19de eeuw in de Zaanstreek de zin „zit toch niet zo studdie-an op je stoel te ragge” opgetekend. De betekenis van studdie (a)an is ‘doorlopend, zonder ophouden’, en soms ook ‘bedaard doorgaan’. Het zal duidelijk zijn dat we hier te maken hebben met een verbastering van het Engelse steady on.

In 1989 schreef de Amsterdammer Haring Arie in De sarkast: „Het duurde dan ook niet lang of het kleine cafeetje was afgelaaien met een zooitje bietskommers, ouwe temeiers en gepensioneerde pooiers.” Bietskommer wordt gebruikt voor ‘schooier, parasiet, scharrelaar’. Het komt van het Engelse beachcomber, dat ‘strandjutter’ betekent. In het Nederlands werd het aanvankelijk gebruikt voor ‘zeeman zonder schip die de kaden afschuimt voor aanmonstering of een baantje ter plaatse’. Vervolgens werd het gebruikt voor ‘bedelen’ of ‘klaplopen’ – voor bietsen dus, een woord dat eveneens teruggaat op het Engelse beachcomber.

Afnokken komt van to knock off (‘afslaan, ophouden’). De verkorte vorm, nokken, is al in 1917 opgetekend. Aftaaien voor ‘vertrekken’ komt van to tie up – dat wil zeggen ‘meren, vastleggen van een schip’. Kennelijk gingen Nederlandse havenarbeiders en vissers ervan uit dat je in het Engels niet alleen to tie up kon zeggen, maar ook to tie off, hoewel dat niet het geval is. In Rotterdam is ooit opgetekend: „Het weer is niet wat je me kolenkit”, een verbastering is van what you call it. Een vergelijkbaar geval is „wat je kolebakt”, eveneens gehoord te Rotterdam, voor ‘wat je zegt’.

Bleddie hoera voor ‘kouwe drukte’ komt van bloody hurray. Horrie op voor ‘snel, schiet op’ komt natuurlijk van hurry up, lekko voor ‘laat maar zakken’ of ‘laat maar vallen’ van let go, en te mats voor ‘te veel’ of ‘te gek’ vanzelfsprekend van too much. Het zijn allemaal voorbeelden van wat wel ‘Havenengels’ of ‘Steenkolenengels’ is genoemd.

Dat verbasterde Engels kon zich, vanuit die havens en vissersplaatsen, soms snel over het hele taalgebied verplaatsen. Dat geldt bijvoorbeeld voor de uitdrukking halve zool. „Aan de wieg stond de Engelse slangterm asshole voor sufferd”, zo schreef Marc De Coster in 2007 in zijn Groot scheldwoordenboek. „Rotterdamse bootwerkers vervormden dit tot zool. Later werd halve ter versterking toegevoegd.” Querido gebruikte ‘Bram Halve-Zool’ al in 1912 als bijnaam in een roman, en in 1938 schreef Willem van Iependaal in een roman: „Ze moeten je niet, halve zool!” Vermoedelijk besefte toen al bijna niemand meer dat achter dit scheldwoord een Engelse krachtterm schuilging.