Eens veelbelovend

Het levensverhaal van Paul Dogger, gisteravond te zien in de tv-rubriek Andere Tijden Sport, fascineert omdat het niet op zichzelf staat. Dogger was in de jaren tachtig een zeer talentvolle jeugdtennisser, maar hij maakte zijn belofte niet waar. Terwijl zijn vriend Richard Krajicek, die hij als junior soms de baas was geweest, naar de top klom, raakte Dogger in de vergetelheid.

De film bevatte treffende beelden uit 1988, toen Dogger het als 16-jarige junior de grote kampioen Ivan Lendl lastig maakte. Lendl won moeizaam met 6-4 6-4 en reageerde na afloop als een kampioen-met-kiespijn. Voor Dogger was dit meteen het hoogtepunt van een carrière die nog beginnen moest. Toen Krajicek in 1996 Wimbledon won, zat Dogger in een cafeetje stoned naar zijn vriend op de tv te kijken.

Waar lag het aan? Hij kreeg fysieke malheur, maar gebrek aan discipline en wilskracht zal doorslaggevender zijn geweest, vermoed ik. Dogger is een extreem geval, omdat hij extreem talentvol was, maar we vergeten wel eens dat de meeste talenten het op sportgebied niet halen. Om wat voor reden dan ook. Het kan ook simpelweg het noodlot zijn.

In het blad Ajax Life stond laatst een bijna huiveringwekkende foto van de A1 van Ajax uit 1967. Jongens van 17, 18 jaar die verondersteld werden een jaar of vijf later het grote Ajax te dragen. Om alleen al de A1 van Ajax te halen, moet je heel wat in je mars hebben, zeker in die tijd.

De enige naam van dit elftal die me bekend voorkwam, was die van Rik van den Boog. Niet omdat hij een bekende voetballer is geworden, maar omdat hij nu de algemeen directeur van Ajax is. Een zware enkelblessure brak zijn sportcarrière af.

Enige treurnis overviel me bij het lezen van al die andere namen die nooit het warme bad van de roem bereikten. Nol Boerkoel, Gabri Martinez, Hans Kok, Henk Panday, Terry Slee, Remco Muller, Ron Matteman, John Cornet, Ad Klapmuts, Jan Papavoine, Cor Smit, Evi Heijt.

Ze konden het soms echt niet helpen. „Hans Kok was een groot talent met enorm veel pech. Nam als A-junior een duik in te ondiep water en zit sindsdien in een rolstoel. Op Voorland werd lange tijd het Hans Kok-toernooi gespeeld.”

„Remco Muller kwam nooit meer thuis van een oefenwedstrijd bij Quick Boys. Kreeg samen met ploeggenoot Cor van den Brink een auto-ongeluk en beiden overleden op 18-jarige leeftijd.” „Ad Klapmuts kreeg een brommerongeluk, brak zijn nek en kon een doorbraak bij Ajax daarna wel vergeten.” Zo dramatisch eindigde het gelukkig niet altijd. John Cornet „was het niet eens met de beslissingen van zijn trainer en liet zijn contract ontbinden”.

Bij sommige spelers staat alleen vermeld welk beroep ze nu uitoefenen: „Henk Panday is trambestuurder in Amsterdam.” „Jan Papavoine runt een Don Pizza in Rotterdam.”

Evi Heijt kreeg geen contract meer aangeboden. Hij sukkelde steeds met een kapotte knie „en werkt nu al bijna twintig jaar bij de Hema”. Evi heeft trouwens nog geluk gehad, schrijft Ajax Life, want hij was destijds niet ingegaan op de uitnodiging van zijn goede vriend Remco Muller om samen naar die wedstrijd bij Quick Boys te gaan. Het leven als (nood)loterij. Ach, Paul Dogger en die A-1 van Ajax, zijn wij dat niet allemaal een beetje? Vonden we onszelf niet veelbelovender dan er uiteindelijk uit is gekomen?

    • Frits Abrahams