De piano als drumkit

Jazzpianisten zijn er in twee soorten: zij die hun instrument liefhebben en zij die er opstandig tegenaan piesen. McCoy Tyner behoort tot de laatste groep. Hij kan de piano ranselen tot het bloed ervan afspringt.

De piano als drumkit De vallende linkerhand van jazzpianist McCoy Tyner Illustratie Sebe Emmelot
De piano als drumkit De vallende linkerhand van jazzpianist McCoy Tyner Illustratie Sebe Emmelot Emmelot, Sebe

Eigenlijk hoort de piano niet thuis op het jazzpodium. Het is een kleinburgerlijk instrument, gemaakt voor de huiskamer, de gordijnen gesloten, ranke vingers onder zijden mouwtjes die knisperend bladmuziek omslaan. Natuurlijk, er is bijna geen jazz zonder piano, maar voor mij is hij daar verdwaald. Er kleeft altijd iets aan van een keurige zoon die door slechte vrienden is meegevoerd naar een rokerige nachtclub.

Als je de piano vergelijkt met andere instrumenten in de jazz, dan is het bovendien een log ding, onbuigzaam en weinig soepel. Je kunt er niet je longen in kwijt, zoals bij saxofoon of trompet, waarbij het blazen al snel het existentiële gewicht van fluisteren of schreeuwen krijgt. Het kent ook niet die innige verstrengeling die de bas (ook een log, uit zijn voegen gegroeid ding) en zijn bespeler kenmerkt. Voor mij heeft dat altijd iets van een onhandig liefdesspel, mannen die ten overstaan van een publiek onbeschaamd in hun vrouw klimmen. En het drumstel vraagt al helemaal een totale overgave van het lichaam, dat voortdurend alle kanten op lijkt te schieten, als de gek die net van zijn dwangbuis is bevrijd.

Zo niet de piano, die houdt het lichaam van zijn bespeler op afstand, staat alleen een aanraking via de vingertoppen toe, waarbij de witte toetsen vragen om ze alsjeblieft niet vuil te maken.

Jazzpianisten zijn er dan ook in twee soorten. Zij die de huiskamerkwaliteit van de piano aanvaarden: een liefkozer als Bill Evans, de academicus Lennie Tristano, Chick Corea die de piano laat zingen, de verleider Keith Jarrett. En zij die het kleinburgerlijke van hun instrument weigeren te accepteren, de opstandigen, die er ongegeneerd tegenaan piesen: de plagerige linkerhand van Thelonious Monk, de ironie van Misha Mengelberg, en bovenal de vernielzucht van Cecil Taylor.

McCoy Tyner (Philadelphia, 1938) hoort onmiskenbaar tot de laatste groep, al is er soms wat aanmoediging voor nodig om hem uit zijn schulp te laten kruipen. Maar is hij los, dan rost hij zijn improvisaties letterlijk uit het klavier. Ik ken geen pianist die een melodie zo energiek uit zijn voegen kan trekken als hij.

In 2000 bracht Tyner een opmerkelijke

cd uit, Jazz Roots, een soloalbum waarin hij de groten onder de jazzpianisten eert. Beginnend bij de buurman uit zijn jeugd Bud Powell, wervelt hij langs de geschiedenis van de jazzpianistiek: Fats Waller, Art Tatum, Thelonious Monk, Bill Evans, Chick Corea, Keith Jarrett en nog zo wat grootheden. Een gedurfd project, want het is moeilijk te geloven dat een pianist met zo’n duidelijk herkenbare stijl zich kan voegen naar andere stijlen, andere persoonlijkheden.

Tyner betoont zich in alle opzichten genereus, hij doet overduidelijk moeite om in de huid van zijn collega’s te kruipen. Maar door alles heen klinkt ook steeds Tyner, dat laat zich niet zomaar wegmoffelen. Hybride uitvoeringen zijn het, waarin twee jazzpianisten, en dus twee stijlen, met elkaar in gesprek gaan.

Ik was vooral nieuwsgierig naar zijn tribuut aan Bill Evans, omdat je, denk ik, niet verder weg van Tyner kan komen dan met deze pianist. Evans is de streler, zijn vingers lijken de toetsen soms nauwelijks te raken, en als hij ze al indrukt, dan nog trekt hij ze alweer terug voordat de hamertjes in het binnenwerk de kans hebben gehad de snaren vol te raken. Als Tyner zijn improvisaties met staaldraad weeft, dan doet Evans dat met fluweel. Waar Evans de voorzichtige, behoedzame pianist is, daar is Tyner de jager, de hardloper, die zich met bravoure staande houdt.

Tyner speelt om Evans te eren Victor Youngs My Foolish Heart, een echte huiskamer-standard. Op YouTube is een opname te zien waarin Evans dit nummer werkelijk op zijn aller-áller-voorzichtigst speelt. Ver voorovergebogen kruipt hij zowat in de piano, alsof hij in een diepe meditatie is weggezonken. Esoterischer kan jazz nauwelijks zijn.

Al na de eerste introducerende frase van Tyners My Foolish Heart hoor je dat er van Evans weinig zal overblijven. Waar Evans zichzelf almaar kleiner maakt (totdat je hem zomaar kwijt kunt raken, als zand dat door je vingers glipt), daar maakt Tyner zichzelf én de piano breed, zijn beide handen waaieren als vanzelfsprekend uit naar de uiteinden van het klavier.

Het is de meest leerzame track om Tyners stijl te doorgronden. Juist omdat hij Evans wil eren en zich met alle macht probeert in te houden, hoor je dat Tyner het nummer eigenlijk speelt als een drumsolo. Niet met brushes, aaiend over de toetsen, maar gewoon met stokken. Weliswaar voorzichtig, maar dat neemt niet weg dat zijn aanslagen vóór alles ritmisch zijn, en pas daarna melodisch.

Omdat ik Tyner vooral ken (en waardeer) van wervelende, energieke nummers, was me dat nooit zo opgevallen. Een beetje ondeugend zou je Tyner de Elvin Jones van de piano kunnen noemen, even open en gearticuleerd spelend als zijn maatje in het legendarische John Coltrane Quartet, en even dynamisch. Linker en rechterhand zijn met elkaar in gesprek zoals bassdrum, hihat en snaredrum in een drumsolo tegengestelde standpunten naar voren kunnen brengen, maar daarbij toch harmonisch en vooral elkaar stimulerend in samenspraak blijven.

De piano als drumkit, misschien is dat Tyners geheim?

Luister nog eens naar de beroemde solo

in akkoorden in de klassieke uitvoering van My Favourite Things van het Coltrane Quartet. Tyner exploreert daar de beroemde musicalmelodie voornamelijk ritmisch. Misschien kon hij ook weinig anders nadat Coltrane er op zijn sopraansax werkelijk elke mogelijke noot uit had losgepeuterd, maar ik ben nu geneigd om het als zijn eerste impuls op te vatten: allereerst het spel van ritmes, daarna pas het spel van melodielijnen.

Terugluisterend naar opnames uit de tijd met het Coltrane Quartet, in de vroege jaren zestig, viel me op hoe timide Tyner was. Doordacht en behoedzaam rijgt hij uiterst melodieus akkoorden aaneen, alsof hij Coltrane wil tarten, hem tot het uiterste wil dwingen zijn improvisaties nog net een streepje verder uit te bouwen. Een Tyner die als een huiskamergeleerde de Coltrane-locomotief bestuurde.

Beluister je direct daarna opnames uit de jaren zeventig, dan is het alsof hij een jarenlang opgekropte energie naar buiten moet. Alsof hij de onverstoorbaarheid van de piano heeft opgemerkt en zich er met man en macht tegen probeert te verzetten – zijn instrument moet de huiskamer uit, en wel direct.

Kwam McCoys pubertijd een beetje laat misschien, pas nadat hij zich van vader Coltrane had losgeweekt? Op albums als Sahara, Enlightenment en Atlantis ranselt hij zijn instrument totdat het bloed ervan afspringt. Het is tekenend dat de eerste plaat die hij na zijn vertrek in 1966 bij Coltrane maakte, begint met een brutale roffel op de snaredrum, alsof hij wilde aankondigen: ‘Hier ben ik.’ Die plaat heet niet voor niets The Real McCoy.

Maar wat is dat, de echte Tyner?

Op YouTube circuleert een filmpje

onder de titel McCoy Tyner Style Tutorial. Roger Friedman, een pianist uit Cleveland (Ohio), speelt de Tyner-classic Walk Spirit, Talk Spirit. Hij heeft de camera recht boven zijn toetsenbord gehangen, en in een computeranimatie kun je met blauwe stippen de plaatsing van de vingers volgen. Bovendien geeft hij in beeld informatie over de akkoorden, de pentatonische toonladders in de solerende rechterhand, en het gebruik van gestapelde kwarten in de linkerhandpartij.

Conservatoriumstudenten zullen hem er misschien dankbaar voor zijn, maar er schuilt een groot misverstand in zijn pianoles. Het suggereert dat je met al die musicologische informatie de stijl van McCoy Tyner kunt vangen. Wat Friedman vergeet is dat jazz allereerst een opvoeringskunst is. Wil je de stijl van een muzikant definiëren, dan ontkom je er niet aan daarin zijn fysieke inbreng te betrekken. Tyner imiteren is een motoriek imiteren.

Dat valt des te sterker op als je naar Friedmans tutorial kijkt. Hij speelt keurig (en niet onverdienstelijk) de noten van Tyner, maar heeft geen enkel gevoel voor diens aanslag. Dat fnuikt zich vooral in de linkerhand, die nergens het gemak van zijn voorbeeld laat zien. Greep krijgen op wat er met die hand gebeurt is volgens mij de essentie van Tyners stijl ontrafelen.

Ik heb het voor mezelf altijd ‘de vallende hand’ genoemd. Het is alsof Tyner die hand steeds een fractie plagerig boven de toetsen laat zweven, om hem dan met een boogje te laten vallen, zoals een voetballer een bal kan stiften, maar dan met meer kracht, met een onverwachte versnelling vooral, die inslaat als een kogel. Vrrrrrroemmm... benggg, zoiets. En dan een aantal maten later nog eens, als om de uitwaaierende vrijheid van de rechterhand even terug op aarde te zetten. De linkerhand houdt met dit soort gongslagen het hele zaakje op de rails, om er tegelijkertijd mee te zeggen: ‘Kom op jongens, nog even doorgaan.’

Alle energieke stuwing die de stijl van Tyner zo kenmerkt, komt voor mij uit die vallende linkerhand.

Tyner componeerde

Walk Spirit, Talk Spirit zelf: een voor de jazz ongekend eenvoudige baslijn van vier noten die de volle 23 minuten aanhoudt, en een scheurende melodie die de Engelsen ‘haunting’ zouden noemen. Meer niet eigenlijk. Gelukkig maar, want hoe eenvoudiger het muzikale fundament, hoe meer kans om ritmisch daar omheen te wervelen: het is de perfecte Tyner-standard, muziek om op de piano mee te drummen.

Het is een opname uit 1973, een enerverende gig op het jazzfestival van Montreux, te beluisteren op het album Enlightenment. Zeventig minuten high speed jazz, waarvan de 23 minuten van Walk Spirit de afsluiting vormen. Er is vaak opgemerkt dat Tyner altijd robuuste drummers in zijn bands heeft gevraagd, drummers die niet bang zijn voor een klap meer of minder. Hij zoekt de collegiale stuwing, laat zich graag opjagen door trommels en bekkens. In Montreux had hij Alphonse Mouzon achter zich en die gunde hem geen moment rust, totdat de twee er hijgend bij neervielen.

Als je naar Walk Spirit luistert is het net alsof je een zekere ergernis beluistert. Hoe je de piano ook ranselt, het instrument laat het zich onverstoorbaar welgevallen, zo lijkt Tyner te beseffen. Tyner wil zich daar niet bij neerleggen en gebruikt daarom zijn vingers als even zo vele drumstokken, alsof hij de piano wel eens even mores zal leren. Dat neemt niet weg dat die vingers altijd hun weg binnen de grenzen van de melodische lijnen zoeken. Hij is een drummer die zijn drumkit laat zingen, maar blijft wel een drummer.

In Walk Spirit komt dat alles perfect bij elkaar, gedragen door dat ene houvast, de linkerhand die steeds in een prachtige glijvlucht de daling inzet, om dan onverwacht neer te storten. Als je dat ooit hebt gehoord, kun je niet wachten om het steeds opnieuw te horen, in al die andere nummers waarop Tyner meespeelt. Want is dat niet het ultieme plezier van de jazzliefhebber: de persoon in de muzikant herkennen? Bij Tyner zit die in zijn linkerhand, als ie valt.

Het McCoy Tyner Trio, met de gitaristen Gary Bartz, Bill Frisell & John Scofield, treedt zondag 12 juli op, om 20:30u, in de Hudsonzaal.