Zwitsers houden de banken kort

Het concept van ‘te groot om failliet te mogen gaan’ wordt steeds verder verfijnd. De Zwitserse toezichthouders volgen hun Amerikaanse en Britse collega’s op de voet met vergelijkbare voorstellen om te voorkomen dat reuzenbanken zó groot worden dat ze het financiële systeem in gevaar kunnen brengen. Maar de Zwitsers gaan wel een stap verder door openlijk te speculeren over het terugsnoeien van de bestaande omvang van banken, een idee dat elders nog taboe is.

Zwitserland heeft redenen genoeg om harder in te grijpen. De belangrijke reputatie van het land als knooppunt voor vermogensbeheer heeft een gevoelige klap opgelopen als gevolg van de problemen bij UBS, ’s werelds grootste private banker.

De 4.400 miljard Zwitserse frank (2.900 miljard euro) die in Zwitserland op de balansen van banken staat, komt overeen met acht maal de omvang van het bruto binnenlands product (bbp) vorig jaar, zelfs nadat een aanzienlijke sanering ervoor had gezorgd dat die verhouding is gedaald van negen maal het bbp in 2007. Credit Suisse en UBS nemen samen driekwart van het totaal voor hun rekening. De Zwitsers mogen dan sterkere reserves, een krachtiger munt en een hoogstaander banktraditie hebben dan IJsland of Ierland, na de bankcrises die de autoriteiten en belastingbetalers van deze twee landen schrik hebben aangejaagd, is een noodplan niet onverstandig.

De Zwitserse Nationale Bank kiest terecht in eerste instantie voor minder radicale oplossingen. Het opleggen van hogere eisen aan het kernkapitaal van banken, die belangrijk zijn voor het systeem, zou deze banken aanmoedigen te krimpen en tegelijkertijd hun neiging tot het nemen van risico’s verminderen. De Zwitsers lijken ook het idee te steunen om plannen achter de hand te houden voor het ordelijk laten verdwijnen van in problemen geraakte grote instellingen, om zo de gevolgen van eventuele faillissementen te beperken. Het opstellen van dergelijke ‘testamenten’ moet eraan bijdragen dat de mondiale schade als gevolg van de ineenstorting van de Amerikaanse zakenbank Lehman Brothers een eenmalige ervaring blijft.

Voor het slagen van dergelijke scenario’s is wereldwijde samenwerking nodig. En hoewel de nationale toezichthouders de laatste tijd inderdaad nauwer hebben samengewerkt, bestaat er nog steeds een groot risico dat het financiële toezicht langzamerhand uit het zicht zal verdwijnen op de lijst van politieke prioriteiten, vooral als de economische omstandigheden verslechteren. Er zijn redenen te over om sceptisch te zijn over het vermogen van toezichthouders om samen een praktisch en geharmoniseerd mondiaal plan op te stellen.

Dat is de reden dat de Zwitserse autoriteiten er goed aan doen te spreken over maatregelen om zichzelf in geval van nood alsnog uit de brand te kunnen helpen. Tot die maatregelen behoren het beperken van het maximale marktaandeel van een bank of van het percentage bezittingen dat die bank onder beheer mag hebben in verhouding tot het bbp van het land. Het klein houden van banken is uiteraard geen garantie dat er nooit is mis kan gaan. De gelijktijdige ineenstorting van veel kleine Amerikaanse spaarbanken eind jaren tachtig is een voorbeeld van de manier waarop de omvang van een bank niet altijd de oorzaak van een crisis hoeft te zijn.

Maar Zwitserland zou niet het enige land moeten zijn dat extremere ideeën overweegt om het concept van ‘te groot om failliet te mogen gaan’ om te zetten in praktische richtlijnen. De Britse bankbezittingen komen overeen met ruim vier maal het Britse bbp. In de Nederland is die verhouding vijf maal, en in België zes maal het bbp. En de crisis zou moeten hebben aangetoond dat bankproblemen zelden louter een binnenlandse aangelegenheid zijn.

Jeffrey Goldfarb