Acuut zoolverlies

De gedupeerde kampeerder haalt verhaal. Vandaag. Hier. Het gaat om de schoen links. De schoen rechts treft geen blaam.

De schoen links is een bergschoen van de Duitse fabrikant Hanwag. Rond 2001 verving hij de schoen rechts die van de Duitse fabrikant Meindl is. Die had, met flinke intervallen, een jaar of twintig dienst gedaan in de bergen en daarbuiten. Gemiddeld gebruik over de hele periode misschien 20 dagen per jaar. Alles bijeen nog geen 400 dagen, maar na die tijd toch flink versleten. Met gladde zolen, lekkende naden en kapot binnenwerk. Het verval was langzaam ingetreden en kon met het blote oog worden gevolgd.

De feestelijke aanschaf van de vervangende Hanwag-schoen links is acht jaar geleden in deze krant beschreven. Het is waar: hij was lang zo mooi niet als de Meindl met zijn dubbele laag leer en de toepassing van het prachtige zwienähen. En die meerlagige opbouw die de tekening laat zien.

Maar de Hanwag had met zijn meer dan duimdikke zool een sublieme vering en hij zat ook verder heel comfortabel. En hij had de juiste leest. Geen kwaad woord over de Hanwag. Dat al binnen het jaar de nitrylrubberen stootrand losliet was eigen schuld geweest. De verkoopster van de Amsterdamse bergsportzaak had vastgesteld dat te veel schoenvet in de buurt van de stootrand was gesmeerd.

In de zeven jaren daarna deed de Hanwag wat-ie doen moest. Waterdicht was-ie niet, maar de meeste bergschoenen zijn niet waterdicht. Hij werd steeds ruimer omdat er weinig was dat hem in vorm hield maar hij veerde dat het een aard had. Tot mei van dit jaar. Tijdens een kalme tocht in de Ardennen viel de meer dan duimdikke zool opeens los op de grond. Eerst links, een kwartier later rechts. Pardoes, zonder waarschuwing. Weg vering. Met wat scheerlijn werd de schoen dichtgebonden om te verhinderen dat ook de harde, gladde plastic plaat die als binnenzool dienst deed de wijk nam. Zo kon nog net een station worden bereikt. Uit was het uitje.

Terug in Nederland luidkeels ervaringen uitgewisseld met andere bergschoenbezitters. Stel dat dit op 2.800 meter hoogte was gebeurd. En dan blijkt: links en rechts blijven duimdikke zolen in de natuur achter. Van het ene op het andere moment laten ze los. Niet alleen bij Hanwag, maar net zo goed bij Lowa en Meindl, dat zijn de meest verkochte merken bergschoen. Alle drie Duits. Alle drie overgegaan op een moderne, efficiënte productiemethode zonder zwienähen en ouderwetsigheid (afgezien van de Meindl Pefekt.) Op internet wordt veel zoolverlies beschreven.

En bergsportzaken als Carl Denig en Demmenie draaien er ook niet om heen: ja, het komt voor, soms al na drie jaar, meestal wat later. Het is nog steeds niet verholpen. Willem van Dalen van Cambreur Speciaal Schoenmakerij in Elim die uitsluitend bergschoenen repareert: meestal laten de zolen na een jaar of vijf, zes los. Ik heb een kant en klaar exposé van Meindl dat ik in voorkomende gevallen uitreik. Hij stuurt het op: ‘Guten Tag, es tut uns leid das sich die Sohlen Ihrer Schuhe ablösen.’

Al met al een mooi, helder gedefinieerd raadsel en de vraag is dus: wat gebeurt hier. Hapert er iets aan de lijm of zit het hem in de zool zelf?

Eerst naar leren-schoenen-consultant Wilbert van den Eijnde, verbonden aan TNO - Leder en Schoenen in Waalwijk tot dat werd opgeheven. Voor de hoofdlijnen. Tot 1910 gebruikte de schoenmaker helemaal geen lijm want die was er niet. Pas in 1911 kwam een watervast synthetisch product beschikbaar waarmee het leren bovenwerk aan de zool gelijmd kon worden: het ago-procédé. Veel moderne schoenen zijn ago-schoenen, maar de bulk bestaat uit ströbel-schoenen, die hebben een aangespoten zool. Sportschoenen.

Eind jaren dertig verschenen de eerste natuurrubberen zolen, in Nederland pas na de oorlog. De Italiaan Vitale Bramani durfde zijn flink geprofileerde rubberen Vibram-zool al rond 1935 voor bergschoenen in te zetten. In de Meindl-schoen op de foto is het leren bovenwerk met zwienähen vastgestikt aan een dunne rubberen zool die vervolgens aan de dikke rubberen loopzool is vastgelijmd. Het eerste schoenrubber was vaak nog van slechte kwaliteit, daarbij kwam zoolbreuk voor. Maar in principe gaat rubber lang mee omdat het heel slijtvast is. Het tekort van rubber is dat het niet veert, in koude toestand stug wordt en veel weegt.

Eind jaren zeventig arriveerde de dikke loopzool van polyurethaan, de PU-zool. Met een erg goede schokdemping maar weinig weerstand tegen slijtage. Er wordt vaak rubber tegen aangezet. De meeste bergschoenen hebben nu PU-zolen die zonder veel omhaal aan het leren bovenwerk worden vastgeplakt. Het leer wordt eerst even om die harde plastic binnenzool gebogen en meer is niet nodig. Niks stikken of zwienähen. Als internet niet bedriegt worden de PU-zolen en masse geproduceerd in China. Waarmee niet gezegd is dat de Chinezen de schuld hebben.

Maar als de Duitse bijsluiter, die Willem van Dalen van Cambreur geregeld uitreikt, de zaak goed heeft geanalyseerd ligt het probleem niet aan de lijm maar aan het polyurethaan. Dat bevat weekmakers en daardoor, of mede daardoor, hydrolyseert het goedje. Of in ieder geval: na verloop van tijd verpoedert het. ‘Es wird zu feimen PU-Staub’. Hoe minder de schoen gedragen wordt hoe sneller dat gaat – het verstand staat er bij stil. Bij Denig en Demmenie hadden ze het al gezegd: zoals de band van een fiets waarop niet gereden wordt. De moderne bergschoen waarop drie jaar niet is gelopen, die is feitelijk opgegeven.