Zo onderzoek je geen zedenzaak

Door ouders voor te lichten bestaat het gevaar dat kinderen herinneringen worden opgedrongen, menen Corine de Ruiter en Henry Otgaar.

Den Bosch is in de ban van de van ontucht verdachte badmeester Benno L. Op zijn computers schijnen tienduizenden seksueel getinte afbeeldingen van meisjes tussen de 6 en 16 jaar te zijn gevonden. Volgens berichten in de media zijn foto’s aangetroffen van bijna honderd verschillende meisjes. Benno L. heeft 18 jaar zwemles gegeven aan kinderen met een verstandelijke handicap of met watervrees. Nu wordt hij verdacht van het plegen van seksuele handelingen bij deze kinderen.

Het Openbaar Ministerie kiest al tijdens het gerechtelijk vooronderzoek in deze ontuchtzaak voor een mediagerichte strategie. In plaats van het gerechtelijk vooronderzoek rustig en in de luwte uit te voeren, is een persconferentie gehouden. De gemeente Den Bosch en omliggende gemeenten houden informatiebijeenkomsten voor bezorgde ouders. Hoewel op de bijeenkomsten de ouders wordt voorgehouden de kinderen niet te beïnvloeden en geen suggestieve vragen te stellen, is het gevaar groot dat dit toch gebeurt.

In beruchte zedenschandalen zoals de Amerikaanse McMartin peuterspeelzaalzaak en de Nederlandse Oude Pekela-zaak in 1987, kregen kinderen ‘herinneringen’ aan seksueel misbruik dat nooit had plaatsgevonden. Deze kinderen werden op een suggestieve manier door verhoorders ondervraagd. Door beïnvloeding van kinderen leek het erop dat een groot aantal kinderen in een kinderdagverblijf waren misbruikt. Net als de Bossche zaak werden deze zedenzaken bekend door de enorme media-aandacht. Opvallend aan deze zaken was echter ook dat de kinderen vooral ‘herinneringen’ kregen nadat hun ouders bij informatiebijeenkomsten aanwezig waren geweest.

Want wat gebeurt er door zo’n massale openbaarmaking? De fantasie slaat op hol bij ouders en bij kinderen. Ouders gaan hun kinderen uit bezorgdheid toch vragen stellen, ook suggestieve vragen zoals: „Kun je mij vertellen wat er gebeurd is tijdens het misbruik?”

Juist omdat er nog zo weinig concreet bekend is, zijn mensen geneigd het ergste te denken. Zo dreigt de geruchtenmachine een eigen momentum te krijgen en kunnen herinneringen van kinderen vervormd worden.

Onderzoek laat zien dat kinderen vrij gemakkelijk ‘herinneringen’ kunnen ontwikkelen aan gebeurtenissen die ze niet hebben meegemaakt. Deze ‘herinneringen’ aan niet-meegemaakte gebeurtenissen worden pseudoherinneringen genoemd.

Recent onderzoek in ons forensisch psychologisch laboratorium toont bovendien aan dat pseudoherinneringen gemakkelijker ontstaan als het gaat om negatieve dan om neutrale gebeurtenissen. Kinderen kregen verhaaltjes te horen over een niet-meegemaakte negatieve gebeurtenis (beschuldigd worden van afkijken bij een toets) of een niet-meegemaakte neutrale gebeurtenis (verhuizen naar een ander klaslokaal). Wij constateerden dat kinderen veel vaker pseudoherinneringen ontwikkelden over het afkijken dan over het verhuizen.

Het belang van een betrouwbare verklaring van de slachtoffers bij politieverhoren is groot, voor de kinderen, hun ouders en voor de strafzaak. Een betrouwbare verklaring verkrijg je door kinderen op een juiste manier te verhoren. De Nederlandse politie werkt daarom met een richtlijn voor het studioverhoor van kinderen en met speciaal daartoe opgeleide interviewers.

Het verhoor begint echter niet pas op het moment dat het kind de verhoorstudio binnenkomt. Buiten het verhoor kan het kind op zo’n manier beïnvloed zijn dat ondanks een goede verhoortechniek geen betrouwbare verklaring meer verkregen wordt.

De politie Den Bosch heeft een groot risico genomen door voor deze massale openbaarmaking te kiezen voorafgaand aan het mogelijk horen van de kinderen. Wij kunnen alleen maar hopen dat het deze keer geen ‘Oude Pekela’ wordt.

Corine de Ruiter is bijzonder hoogleraar forensische psychologie aan de Universiteit Maastricht. Henry Otgaar bereidt een proefschrift voor.