Hij daar, die blonde, de zoon van

Hij gaat toch weer voetballen. Het nieuwtje maakte meer indruk op me dan de 94 miljoen voor Cristiano Ronaldo. Ik dacht immers dat de zoon van God, zoals we Jordi Cruijff vroeger noemden, al was gestopt in 2008. Ergens in Oekraïne leek Jordi in alle stilte een einde aan zijn nogal mysterieuze loopbaan te hebben gemaakt. Ik sloot mijn ogen en probeerde het me voor te stellen: bij Metalurg Donetsk, club zonder verleden en zonder aanzien, trok hij voor het laatst zijn kicksen uit. De dertig gepasseerd, het moest er eens van komen. Voor de zoveelste keer reserve gestaan in een leeg stadion, en nu was het voorbij. Toegeven dat het toch niet zo veel was geworden, eigenlijk erg weinig als je het afzette tegen de verwachtingen van vroeger. Voor de laatste keer in een mooie auto naar de eenzaamheid van zijn vijfsterrenhotel, ver van zijn Spaanse gezin. Geen ererondje of applaus, geen Jordi bedankt. Enkeltje Barcelona, en dat was dat.

Zo moet het zijn gegaan. Een loopbaan waarvan de start een media event was geweest (logisch, met zo’n vader), gestopt in het niets. Dan: berichten uit Barcelona dat hij actief was in het bedrijf van zijn vader. Daar kon je inkomen, met zijn diploma management kon Jordi vast iets voor zijn oude heer betekenen. Zijn vader had hem in 1994 laten debuteren in het eerste van FC Barcelona, nu had zijn vader wel een baantje voor hem. Andere ingewijden ontkenden dat weer: Jordi deed iets in antiek. En intussen probeerde ik mij voor te stellen of hij gelukkig was: eindelijk verlost van die vergelijkingen met pa. Zijn eeuwige pa, hulp en slagschaduw tegelijk.

Jordi was kouder geworden, zei hij. Minder vrolijk, wantrouwig. Onbevangen kan hij nooit zijn geweest. Niet toen hij als jochie verhuisde van Barcelona naar Amsterdam: zijn vader werd speler en later trainer van Ajax. Al die blikken van omstanders naar dat Ajaxspelertje, ja hij daar, die blonde, de zoon van. Vervolgens in Camp Nou. Suggesties in de pers dat hij daar alleen maar liep vanwege zijn vader, de coach. De naam ‘Jordi’ op zijn shirt als kansloze poging om die suggesties te wissen. Het Nederlands elftal in 1996, die goal tegen Zwitserland. Reserve bij het Manchester United van David Beckham en Ryan Giggs. Korte bloeitijd bij de Spaanse middenmoter Alavés, finale UEFA Cup. Blessureleed aan de knie, dan het geld van Donetsk. Best een fijne carrière, als hij Bakker had geheten.

En het gaat nog even door. Komend seizoen wordt Jordi, 35 inmiddels, speler/coach op Malta. Eerst nog wat potjes bij FC Valletta, en dan, op een zelf gekozen moment, zal hij zichzelf naar de kant roepen en zeggen: het is mooi geweest.