Recensie

Recensie Boeken

Ishiguro’s verhalen: steeds weer het kind dat alles goed moet maken

Altijd moet er iets worden goedgemaakt in de boeken van Kazuo Ishiguro, schreef recensent Rob van Essen in 2009. Dat leidt tot pijnlijke vergeefsheid, maar niet altijd.

Hij breekt je hart, Kazuo Ishiguro. Niet op een larmoyante manier, met violen en tranen, maar kalm en gedecideerd, met het droge geluid van een brekend biscuitje. Het is een kwestie van evenwicht. Doordat het zijn hoofdpersonen aan relativeringsvermogen ontbreekt, krijg je ontzettend met ze te doen. Tegelijkertijd wekt de heilige ernst van de personages een vervreemdende indruk, die elke vorm van sentimentaliteit op afstand houdt.

Ook in zijn nieuwe verhalenbundel Nocturnes duiken die typische Ishiguro-personages op. Neem de Duitser Tilo, die in het verhaal ‘Malvern Hills’ zijn levensgeschiedenis vertelt. Hij vertelt opgewekt over het muzikantenbestaan van hem en zijn vrouw, maar al gauw blijkt dat hun carrière erop neerkomt dat ze al dan niet in klederdracht gehuld bruiloften en partijen opluisteren met nummers van The Carpenters en Abba. Wat Tilo redt, is de waardigheid die zijn schepper hem verleent; een kwestie van toon. Het is misschien een naïeve waardigheid, maar wel één die voorkomt dat de lezer op hem neerkijkt.

De toon van Ishiguro is er een van kalme ingetogenheid. De spanning in zijn werk ligt in de emoties die onder die ingetogenheid schuilgaan. Voor hij doorbrak met The Remains of the Day – waar hij in 1989 de Booker Prize voor kreeg – schreef hij twee romans die zich afspeelden in het Japan van vlak na WO II, A Pale View of Hills (1982) en An Artist of the Floating World (1986). In beide romans draait het om de spanningen tussen vaders die de oorlog enthousiast verwelkomden en hun kinderen, die worstelen met hun loyaliteit ten opzichte van de vorige generatie. De loyaliteit van kinderen zou in de volgende romans van Ishiguro een nog grotere rol gaan spelen.

Dat begint al in The Remains of the Day, maar het thema ontvouwt zich pas goed in The Unconsoled, dat in 1995 uitkwam – Ishiguro’s dikste en merkwaardigste roman.

Een soort messias

De verteller, de beroemde pianist Ryder, komt terecht in een Midden-Europese stad waar hij een concert moet geven. De inwoners beschouwen hem als een soort messias en algauw lijkt het welzijn van de stad op zijn schouders te rusten. Deze naamloze stad is een surrealistisch geheel, waar gebouwen die mijlenver van elkaar verwijderd zijn opeens in elkaar over kunnen gaan. Niets is zeker, ook de reden van Ryders komst wordt steeds raadselachtiger.

Door het surrealisme, de Midden-Europese setting en de personages die in eindeloze monologen hun zaak bepleiten doet The Unconsoled denken aan het werk van Kafka. Maar er is nog iets anders aan de hand. De maalstroom van gebeurtenissen waarin Ryder wordt meegesleurd wekt de indruk van een spel waarvan de regels gaandeweg worden verzonnen en veranderd. Tijdens het lezen krijg je het vreemde idee dat alle volwassenen in dit boek, al die mensen met hun heilige ernst, hun onbeholpen welsprekendheid en al hun pogingen zich te bewijzen, eigenlijk kinderen zijn, die bloedserieus spelen dat ze volwassenen zijn. De geplaagde messias Ryder is dan het kind dat alles goed moet maken, om de dichtregel van Ischa Meijer te parafraseren.

Dat kinderlijke aspect maakt Ishiguro’s personages niet zielig of lachwekkend; het maakt ze oprecht en ontroerend, omdat ze door hun schepper volstrekt serieus worden genomen. Ze kennen geen volwassen middelen als ironie en relativeringsvermogen, en Ishiguro stelt ze er niet aan bloot, doordat hij nooit als alwetende verteller optreedt.

Het weeskind van vroeger

Ook in When We Were Orphans (2000), de roman die The Unconsoled opvolgde, figureert een als volwassene vermomd kind dat alles goed moet maken. Het boek speelt in een wereld waar detectives in de trant van Sherlock Holmes daadwerkelijk bestaan, met andere woorden: een soort kinderwereld.

De verteller, de beroemde Engelse detective Christopher Banks, groeide op in Shanghai. Toen hij nog een kind was werden zijn ouders ontvoerd. Hij heeft hen nooit meer teruggezien. Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog keert hij terug om die zaak alsnog op te lossen. Hij vindt het huis waar zijn ouders ooit gevangen werden gehouden en naïef verwacht hij dat zijn ouders daar na al die jaren nog zitten. Dat is natuurlijk niet zo. Hij is altijd het weeskind van vroeger gebleven. ‘Maar mensen als wij zijn voorbestemd de wereld als wees tegemoet te treden’, zegt hij op de een na laatste pagina van het boek, ‘en vele jaren lang de schimmen van verdwenen ouders na te jagen. Er zit niets anders op dan proberen onze opdrachten tot een goed einde te brengen [...].’ Dat gaat op voor meer personages uit het werk van Ishiguro. Ze zijn er allemaal ernstig van overtuigd dat ze iets goed te maken hebben, dat ze onrecht moeten herstellen. Dat breekt je hart.

In zijn volgende roman, Never Let Me Go (2005) lijkt Ishiguro de logische conclusie uit zijn voorgaande romans te trekken. Never Let Me Go is Ishiguro’s eerste roman waarin het verhaal ondanks de ingehouden stijl hier en daar larmoyant en sentimenteel dreigt te worden – en misschien is het juist daarom wel zijn interessantste roman. Je zou kunnen zeggen dat het boek de culminatie vormt van Ishiguro’s oeuvre tot dan toe. Hierin draait het om de leerlingen van Hailsham. Zij zijn de ultieme kinderen-die-iets-goed-te-maken-hebben. Hun opdracht lag al voor hun ontstaan vast, ze zijn letterlijk een vleesgeworden opdracht. En ze zijn zo goed geïndoctrineerd dat ze hun lot gelaten aanvaarden – ook al gaan er geruchten dat er ontsnappingsmogelijkheden zijn, dat oprechte liefde uitstel van executie betekent. Aan het eind van de roman blijken al die geruchten vals, en weer klinkt het geluid van een brekend biscuitje.

Je vraagt je af hoe het schrijverschap van Ishiguro zich hierna zal ontwikkelen. De eerste tekenen van een mogelijk nieuwe dimensie zijn te vinden in de verhalen uit de bundel Nocturnes, waarin zoals gezegd de Duitse bruiloften-en-partijenzanger Tilo figureert. Behalve de vertrouwde Ishiguriaanse motieven bevat die bundel iets nieuws: hilarische scènes. Bijvoorbeeld in het verhaal ‘Come Rain or Come Shine’, waarin de hoofdrollen zijn weggelegd voor Charlie, Emily en Raymond, die elkaar nog kennen van de universiteit. Charlie, die al jaren met Emily is getrouwd, vraagt of Raymond bij hen wil komen logeren. Al gauw ontdekt Raymond dat zijn komst te maken heeft met een ingewikkeld plan van Charlie om zijn huwelijk te redden. De onhandigheid van Raymond zorgt ervoor dat het verhaal ontaardt in een langzame slapstick. Dat is nieuw bij Ishiguro; tot nu toe zat de humor in zijn werk verborgen in de schrijnende verwachtingen en absurde gedragingen van zijn personages.

Misschien is dit het begin van een nieuwe ontwikkeling, en schrijft hij ooit nog eens een roman die je hardop doet lachen. Maar ook in dat boek zal de typische Ishiguro-touch natuurlijk niet ontbreken, want als we op ‘Come Rain or Come Shine’ mogen afgaan maakt Ishiguro je aan het lachen zoals hij je hart breekt: niet met toeters en bellen, maar kalm en gedecideerd.