Zen geeft zin

Een kwart miljoen Nederlanders heeft ‘affiniteit’ met het boeddhisme. Een enkeling heeft zich bekeerd, voor de meesten is het een lifestyle.

Als reusachtige kraaien zitten tien vrouwen op een doordeweekse dag in juni doodstil op een kussen. Onder hun zwarte gewaad hebben ze de benen in lotushouding gevouwen. Ze wachten tot de shoji om klokslag 05.35 uur de ceremoniële ochtendthee serveert, met een halve rijstwafel. Met een handgebaar manen de vrouwen haar te stoppen met schenken. Dan staat de joko op om buiten bij het kippenhok op een houten bord een klankconcert ten gehore te brengen. Als zij terugkomt, slaat de gong en begint de ochtendmeditatie.

Vijfentwintig minuten stilzitten is geen sinecure, als je nergens aan mag denken en de veldleeuweriken het buiten uitgillen van voorjaarspret. Toch doen deze vrouwen het, vrijwillig, verscheidene malen per dag. Want zen brengt verdieping, zeggen ze, inzicht en innerlijke rust.

Vreselijk, vond Anne Wentzel het ‘zitten’, toen ze tien jaar geleden voor het eerst in zencentrum Noorder Poort in Wapserveen kwam. Het duurde te lang, pijn in de benen, de stilte werkte op haar zenuwen. Na afloop dacht ze: wat een flauwekul, dit doe ik nooit meer. Toch zit ze er weer.

Na de ochtendmeditatie schuifelt Wentzel in de rij mee naar buiten voor de ochtendgymnastiek. De vrouwen trommelen met de vingertoppen zachtjes op hun gezicht, bekloppen de ledematen, aaien vol overgave hun haren en buik. Na een tweede meditatieronde zetten zij zich zwijgend aan het ontbijt. Boekweitgruttenpap.

Voor het eten vouwen ze de handen, buigen ze het hoofd. Dan scheppen ze met geloken ogen een hapje uit hun bord in een bakje – voor Boeddha. Na het luiden van de gong prevelen ze een gebed. The morningmeal has ten advantages whereby Yogins are benefited. Its results are boundless, finally leading them to eternal happiness. Het zijn de eerste woorden die ze spreken na bijna een etmaal absolute stilte. Het is half acht, de werkdag in het zencentrum van Wapserveen kan beginnen.

De taken zijn nauwgezet verdeeld onder de zes vaste bewoners van de boerderij, die zij als een klooster beschouwen. Jiun Hogen – voorheen Jenny de Wit – is de roshi of geestelijk leider, Greetje Rouw, alias Modana, is zakelijk directeur. Manuella Willebrandts is als shoji (verzorger) verantwoordelijk voor het huishouden en de gasten, de Canadese Linda Joy is de tenzo (kok). Maria Fröhlich slaat als joko (assistent-meditatieleider) de gong en de Duitse Grhina, jikijitsu, leidt de meditaties. Mannen zijn er – toevallig – niet. De bewoners zijn blank, hoogopgeleid en van middelbare leeftijd.

Net als de logés. Zij krijgen dagtaken toebedeeld. Werken geldt hier als een vorm van dana: vrijgevigheid. Omdat de roshi volgens de klassiek boeddhistische traditie geen geld mag vragen voor haar spirituele begeleiding, draait het zencentrum grotendeels op giften. Voor de vrouwen uit het dorp wordt een uitzondering gemaakt: zij betalen wel voor hun pilateslessen.

Werken is ook zen, mits het met aandacht gebeurt. Zo kan de afwas een meditatieoefening zijn, of paardenpoep scheppen, of het snoeien van een linde. Alleen ‘noodzakelijk praten’ is daarbij toegestaan. Als Modana iemand met een telefoon betrapt, sommeert ze haar het terrein te verlaten. Ook horloges zijn verboden. De gong leidt de boeddhisten door de dag.

Zo eender als de boeddhisten op de Noorder Poort bewegen, zo divers zijn hun motieven. Neem Anne Wentzel (66), die twintig jaar geleden met zen begon omdat ze dacht dat er meer was in het leven. Terug naar de kerk wilde ze niet. „Ik ben gereformeerd opgevoed en dat was allemaal boete, zonde, schuld. Het boeddhisme appelleert aan mijn vrijheidsgevoel.”

Toch lijkt er weinig over van de vrijgevochten Rotterdamse, die een dag eerder druk gesticulerend op het Steenwijkse station uitlegde dat zen en roken prima samengaan. Tijdens haar bezoek aan de boeddhistische gemeenschap, die zij „de sekte” noemt, rookt ze haar sjekkies stiekem, achter de composthoop.

Of neem Maria Fröhlich (52), die zeven jaar geleden haar relatie, baan als opticien en huis in Zuid-Duitsland opgaf en de Noorder Poort betrok. „Op dat moment was ik al heel gelukkig, maar ik zorgde te veel voor anderen. Ik wilde iets voor mezelf.” Zen vult voor Fröhlich geen leegte, zegt ze, maar bracht haar juist de begeerde leegte. „Als ik nu een pioenroos zie, kan ik daar helemaal door vervuld raken.”

Bij de ‘informele avondmaaltijd’, van aardappelsoep en alfalfasalade, is kletsen toegestaan. Fröhlich vertelt hoe ze in Japan eens het grind van een zentuin mocht harken. Als Manuella Willebrandts vraagt waarom Japanners grind eigenlijk harken, wijst Fröhlich haar vriendelijk terecht. „Dat is geen zen-vraag.”

Willebrandts (39) moet nog veel leren, dat vindt ze zelf ook. Ze woont amper zes weken op de Noorder Poort en wist daarvoor niets van zen. Nu moet ze vijfmaal daags mediteren. Daarbij is ze verantwoordelijk voor het huishouden. Ze moet tapijt zuigen, biologische sesamzaadpasta kopen, boeddhabeeldjes afnemen, thermoskannen brandnetelthee klaarzetten. ’s Avonds zit ze uitgeput aan de formica keukentafel, waar de weeë geur van wierook zich heeft vermengd met de lucht van vegetarisch eten. Willebrandts staat als eerste op en gaat als laatste naar bed. Het is een beetje paradoxaal, vindt ze. Ze kwam immers om te ontsnappen aan de drukte.

Tot voor kort woonde Willebrandts in Almere. Leuke vriend, leuke vrienden. Maar ze hunkerde naar het kloosterleven en gaf eind maart plotseling alles op. „Het was een heftige stap om mezelf in het gareel te krijgen. Ik heb orde en regelmaat nodig en kan die mezelf niet opleggen.” Ze had last van stemmingswisselingen, van perfectionisme, ze kon geen grenzen stellen, niet omgaan met een druk sociaal leven, kreeg een burn-out. Sinds ze in Wapserveen woont, heeft ze minder last van angst en stress, zegt ze. Maar ze is er niet vrolijker op geworden. „Integendeel. Ik was vroeger altijd blij, maar dat moet je hier juist inbinden.” Alleen haar verschijning blijft onaangepast. Ze draagt als enige make-up.

Vlak voor de avondklok haar om negen uur het zwijgen oplegt, kijkt Loes Langedijk (48) op een bankje uit over het Drentse landschap. Ze moet zoeken naar woorden om uit te leggen hoe ze bij zen terechtkwam. „Een jaar of tien geleden gebeurden er moeilijke dingen in mijn leven.” Een echtscheiding, ze raakte arbeidsongeschikt. „Ik kreeg het gevoel dat mijn pad steeds smaller werd. En als je je niet lekker voelt, ga je op zoek naar een uitweg.”

Haar huisarts in Hoorn, een Chinees, raadde haar aan een meditatieleraar te zoeken. „Die zenmeester zei: je hebt alles in je, je bent het alleen even vergeten. Toen vroeg hij me of ik kon buigen. Ja, zei ik, en toen heb ik negen diepe buigingen gemaakt, voor het leven. Daar is het begonnen.” Ze tuurt naar haar sportieve sandalen. „Ik werd eerst wel een beetje akelig van dat mantra’s zingen in een kringetje. Raar, vond ik dat. Zweverig. Maar zen gaf me in die periode zoveel, dat ik het op de koop toenam. Ik was zielsgelukkig dat ik de schoonheid van het leven terugzag. Ik dacht dat ik de waarheid had gevonden.”

Maar dat gevoel raakte Langedijk weer kwijt. Net als bij verliefdheid: het zwakte af. „Toen ik met zen begon, hoopte ik te ontsnappen aan mijn ongelukkig zijn, maar vroeg of laat komt je verdriet toch weer terug.”

Langedijk is bij lange na niet de enige die naar Wapserveen kwam om geluk te vinden, zegt Modana. „Maar als je buiten ongelukkig bent, ben je dat hier ook.” Of er veel wordt gehuild? Modana zucht diep: „Natuurlijk. Meditatie maakt veel los. De behoefte om te praten is hier groot, maar wij ondersteunen dat niet. Hier moet je het alleen doen. In jezelf. In stilte.” Dit is zen voor gevorderden.

Het kan ook anders.

Terwijl de vrouwen in Wapserveen met uitgestreken gelaat hun ochtendritueel uitvoeren, staan in Amsterdam de eerste bezoekers van de dalai lama al te wachten voor de detectiepoortjes van de uitverkochte RAI, waar de geestelijk leider van Tibet aan tienduizend bezoekers boeddhistisch onderricht zal geven.

Een van hen is de Amsterdamse Anneke van de Knip (42) – geen boeddhist. Wat haar aantrekt? „Het loslaten van leed. Dat vind ik zelf heel moeilijk en mooi dat de dalai lama dat kan.” Ze verwacht van hem te kunnen leren. Chris Dijkstra (41) – geen boeddhist, maar „geïnteresseerd” – komt samen met een paar vrienden „voor inspiratie”. Roberta Bergwerf (52), zelfverklaard boeddhiste met scootmobiel uit Woerden, komt om energie op te doen en grote saamhorigheid te voelen. „Ik vermoed dat ik helemaal open ga en er energie vloeit, en rust en vrede.”

Bergwerf kocht haar kaartje via het tijdschrift Happinez. De glossy, die ruim vijf jaar bestaat, verkocht in het eerste kwartaal van dit jaar gemiddeld 182.000 exemplaren. Volgens de makers zijn de lezers „eigentijdse, werkende vrouwen, die op een heel brede manier bewust in het leven staan, bezig zijn met zelfontwikkeling en geestelijke groei. Die openstaan voor verdieping en zingeving, willen genieten en houden van een stijlvolle manier van leven.”

Dat blijkt uit de advertorials waarmee het laatste nummer opent. Kralenkettingen, groene thee, fado. Voorts tips om het chakra te versterken met kleding en edelstenen – plus de bijbehorende verkoopadressen. Achterin wordt reclame gemaakt voor een dienblad met glazen (à 75 euro), en voor cadeauboekjes over geluk, troost, liefde, energie, kracht, wijsheid, tijd, balans, rust en vertrouwen. Geluk is te koop, straalt van de pagina’s. Boeddhisme is business.

Om de dalai lama de hele dag in Amsterdam te horen spreken, betaalden liefhebbers zo’n honderd euro. In de pauze verdringen ze zich rond de tientallen kraampjes die staan opgesteld in de kale congreshal. Daar zijn meditatiekussentjes te koop, kalenders, sjaaltjes, stoffen tassen, rozekwarts. Boekjes over boeddhisme op de werkvloer, boeddhisme voor moeders, boeddhisme achter het stuur. Vrouwen betasten boeddhabeeldjes en slaan op klankschalen, zeggen dat het geluid hen direct in hoger sferen brengt. De wierook is in de aanbieding en de Tibetaanse gebedsvlaggetjes gaan als warme broodjes. Dit is boeddhisme light.

Lauren Gramberg (50) koopt in de pauze vijf ‘spirituele speelfilms’, prentbriefkaarten en een Tibetaans vlaggensnoer. Haar tuin hangt er al vol mee. Of ze boeddhist is of iets heeft met Tibet? „Nee hoor, ik vind alles leuk.” Thuis, op haar verbouwde boerderij in Ane, een gehucht in Overijssel, heeft ze een paar altaartjes ingericht. Jezus hangt er boven Boeddha. „Enkel omdat ik het mooi vind, maar ik dweep er niet mee.” Haar man moet er niets van hebben. Maar zij is naar eigen zeggen altijd met het spirituele bezig geweest. In de jaren zeventig brandde ze al wierook op haar meisjeskamer. Die brandt ze nog steeds, net als haar dochter Zanna Mirthe (16), die gothic is en een neuspiercing heeft.

Gramberg is een spirituele allesvreter. Af en toe leest ze een spiritueel boek, dan doet ze yoga, soms mediteert ze. Bijvoorbeeld als het leven te chaotisch wordt of als ze na een conflict bij de amateurtoneelvereniging vol ergernis zit. „Dan kom ik thuis en denk ik: even rust.” Een bidkussen of aparte ruimte heeft ze niet in huis. En mediteren in gezelschap is niet aan haar besteed. „Ik kan helemaal niet tegen regeltjes.” Wat haar wél aanspreekt in het boeddhisme? „Rust, vrede, mededogen, innerlijke gelatenheid.” Dat vindt ze niet bij het christendom, zegt ze. De kerk vindt ze een schijnheilig instituut.

Daarbij wil ze steeds benadrukken dat ze niet gelooft. „Ik geloof niet dat er meer is tussen hemel en aarde, dat wéét ik gewoon.” Niks gebeurt voor niks, zegt Gramberg. Overal is een reden voor. Ook voor nare dingen. Daar kan ze goed mee omgaan, zegt ze, want ze is positief ingesteld. „Maar ik moet nog veel leren.” Over hoe om te gaan met mensen die haar eigenlijk niet zinnen, bijvoorbeeld. „Daar moet ik nog een paar boeken over lezen. Ik moet leren los te laten en mijn negatieve emoties met liefde te omarmen. Maar dat werkt nog niet helemaal.”