Nederland, individuen en minderheden

Stop het gezeur over inburgering. Tot tweemaal toe deed minister Van der Laan (Integratie, PvdA) de afgelopen dagen deze oproep. In de Tweede Kamer en in De Telegraaf, in welk dagblad de bewindsman een half jaar na zijn aantreden ‘uit de kast kwam’ om in krachtige bewoordingen zijn stevige aanpak toe te lichten, bijvoorbeeld in zijn strijd tegen ‘importbruiden’.

Dat 772.746 Nederlanders vorige week bij de Europese verkiezingen op de PVV hebben gestemd, zal er vast garant voor staan dat het ‘gezeur’ niet zal stoppen, al was het maar door de nervositeit die dit deel van het electoraat bij andere politieke partijen veroorzaakt.

En anders zorgt de wetenschap daar wel voor. Zoals de afscheidsrede van de criminoloog Bovenkerk, die vorige week cijfers citeerde waaruit bleek dat meer dan de helft van de in Rotterdam woonachtige Marokkaanse Nederlanders van 18-24 jaar met de politie in aanraking is geweest. Misschien was dat cijfer wat opvallender dan eerdere, soortgelijke bevindingen, maar de trend is al veel langer bekend. De opwinding erover was dan ook vooral ‘heropwinding’.

In dat kabaal ging verloren wat Bovenkerk als nuancering aan de cijfers toevoegde: maak van het criminaliteitsprobleem niet ‘dus’ een etnisch Marokkanenprobleem. Zoek de oorzaken eerder in wat wel een klassieker uit autochtone tijden kan worden genoemd: de sociaal-economische achterstand van bepaalde groeperingen in de Nederlandse samenleving. En daaraan kan een andere, ook al eerder geopenbaarde wetenschappelijke bevinding worden toegevoegd: de slechte prestaties van allochtone leerlingen in Europa in vergelijking met de Verenigde Staten, Canada en Australië.

Onmiskenbaar kampt Nederland met een integratie- of, desgewenst, inburgeringsprobleem. De verdienste van partijen die daar het grootste punt van maakten of maken (LPF, PVV) is dat de ontkenningsfase in de politiek tot een al bijna ver verleden behoort. Eerder doet zich de vraag voor of politiek Den Haag, zowel in stoere taal als in concrete maatregelen, niet doorslaat. Om het tot de Marokkaanse Nederlanders te beperken: zij vormen maar 2 procent van de Nederlandse bevolking; bijna de helft behoort tot de tweede generatie en is dus hier geboren en anders wel opgegroeid. Dat maakt het probleem, dat er zeker is, tot een Nederlandse kwestie – de door de PVV gepropageerde uitzetting van criminelen naar het land van hun ouders is om die reden een zwaktebod, afschuifgedrag en onfatsoenlijk, trouwens ook ten opzichte van dat land.

Met opvallend gemak wordt door een meerderheid in de Tweede Kamer tegenwoordig gesproken over etnische registratie – en met weinig oog voor de zwarte kanten van de Nederlandse geschiedenis. Dat past bij de neiging om allochtonen over één kam te scheren. Zo verwacht het kabinet van ‘de’ Marokkaans-Nederlandse gemeenschap dat zij een rol zal spelen bij de aanpak van overlast en criminaliteit. Maar is die succesvolle studente of hardwerkende verpleegkundige aanspreekbaar op het gedrag van rotjongens van wie de ouders in hetzelfde land zijn geboren als de hare?

Scholing, werk, adequate aanpak van crimineel gedrag, dat zijn de antwoorden die passen op het probleem dat Nederland heeft met een deel van zijn etnische minderheden. Maar laat daarbij het individu niet de dupe worden van (voor)oordelen over groepen.