Van fietspomptaal tot slam

Van de vier genomineerde dichters voor de jaarlijkse Buddingh’-prijs, maken er drie nieuwsgierig naar meer. Eén van hen torent boven die drie uit.

Mischa Andriessen: Uitzien met D. De Bezige Bij, 58 blz. € 15,-
Mischa Andriessen: Uitzien met D. De Bezige Bij, 58 blz. € 15,-

Mischa Andriessen: Uitzien met D. De Bezige Bij, 58 blz. € 15,-

Martijn Benders: Karavanserai. Nieuw Amsterdam, 92 blz. € 16,50

Johanna Geels: Tuig. Atlas, 51 blz. € 15,-

Tom Van de Voorde: Vliesgevels filter. PoëzieCentrum, 42 blz. € 17,50

Tijdens het avondprogramma van Poetry International in Rotterdam, aanstaande donderdag 18 juni, wordt bekendgemaakt wie dit jaar de winnaar is van de C. Buddingh’-prijs voor nieuwe Nederlandstalige poëzie. De jury – Wim Brands, Hugo Brems en Janita Monna – nomineerde de debuutbundels van Micha Andriessen, Martijn Benders, Johanna Geels en Tom Van de Voorde.

Er zijn bezwaren in te brengen tegen het nominatieverschijnsel bij literaire prijzen. Een genomineerde die niet bekroond wordt kan dat als een publieke nederlaag ondergaan. Een ontegenzeggelijk voordeel, zeker bij een debuutprijs, is dat auteurs en titels die in de schaduw zouden blijven nu voor het voetlicht komen.

Dit jaar is dat een nadrukkelijk voordeel, want zeker drie van de vier genomineerden maken bij nadere kennismaking nieuwsgierig naar meer. In tegenstelling tot de drie voorgaande jaren had de jury van 2009 een scherp oog voor beloftevolle kwaliteit.

Elk van de vier genomineerde dichters vertegenwoordigt een eigen richting in het poëtische genre. Micha Andriessen schreef een verhalende cyclus over vriendschap en het uiteindelijke verraad daarvan. Martijn Benders biedt een uitdijend panorama van gevarieerde metaforen, van brede schildering tot verfijnde miniatuur. Johanna Geels toont zich in directe, vaak hilarische verzen de expressieve lyricus van het viertal. En Tom Van de Voorde neemt met abstracte middelen de maat van de natuur.

Vliesgevels filter heet de bundel van Van de Voorde. Die titel vind ik raadselachtig problematisch, en dat geldt helaas ook voor de poëzie die onder deze noemer gebundeld werd. Als er al suggestie zou zijn, is die met abstracte woorden toegedekt. Nergens wil het gaan zingen, en de formulering is ook nooit zo dwingend dat de lezer zijn blik verruimd ziet.

De taal is die van een natuurkundige, niet van een natuurliefhebber. Zo droog als de bundel begint, zo droog sluit hij af: ‘in toenemende mate / raakt nooit iets verward / dat niet voorgoed / berusting in een kruin bedwingt / als op het laatst / de lering de verwachting vindt / het binnendijks verband / in uitgestelde resultaten / de voorspelling wordt.’ Daar gaat geen hart van open, maar dat neemt niet weg dat Van de Voorde een gedurfd experiment aanging, dat met een persoonlijker benadering en soepeler taalbeheersing tot interessante poëzie had kunnen leiden. Lees bijvoorbeeld Jan Lauwereyns.

Martijn Benders is met Karavaanserai de taalduivel van het uitverkoren kwartet. Zijn taalgebruik en beeldspraak zijn doorgaans trefzeker, maar zo overdadig dat je als lezer een filter zou wensen. Een enkele maal lijkt het alsof de dichter zichzelf en de lezer wil overtroeven, zoals in de openingsregels van het titelgedicht: ‘Zij zonnebaadt op enorme röntgenfoto’s, / de karavaan van onze democratie.’ Maar tegenover zulke sporadische fietspomptaal staan beeldrijke, overtuigende beschrijvingen van de oosterse wereld, die Benders als bewoner van Istanbul van binnenuit beziet.

Het hoogtepunt van de bundel vind ik de cyclus ‘Stigma’, waarin de cijfers 1 tot en met 12 op grond van hun vorm of vanuit wiskundig, kabbalistisch of politiek gezichtspunt in beeld worden gebracht. Ook elders bulkt de bundel van belezenheid – al is het vreemd om in zo’n geleerde omgeving de Franse schrijver Henri Michaux in het Engels geciteerd te zien.

Uitzien met D van Micha Andriessen lijkt evenmin zonder citaten te kunnen. Welgeteld tienmaal nam de dichter een fragment uit de wereldliteratuur als motto. Die motto’s zijn net zo overbodig als de titels van de afzonderlijke gedichten. Samen vormen de verzen een verhalende cyclus, die ook of juist zonder titels een intrigerende spanning oproept.

Andriessens taalgebruik balanceert op de grens tussen proza en poëzie, maar naarmate het verhaal zijn vorm krijgt blijkt steeds duidelijker dat hier een dichter aan het woord is. Het allerdunste kan dan al overtuigen, zoals in: ‘Zo lichtvaardig, / verlangen naar storm / onder een stolp.’

Maar het is vooral de steelse samenhang tussen de verzen die de cyclus kracht geeft. En ook de eenvoudige, maar steeds rake taal die dit drama van zoiets ongewoon gewoons als een relatie tussen twee mensen woorden geeft. Uitzien met D is een overtuigend debuut.

Dat geldt ook voor Tuig van Johanna Geels. Vanaf het eerste gedicht val je met de deur in huis: ‘in een dorpje aan de kust / woont een meisje met een / losgeslagen achterhoofd’. Bij zo’n opening is de aandacht volledig getrokken, net als bij de aanvang van het tweede vers: ‘ik was acht en barones / belde met een oranje / telefoontje naar god’. Deze directe toonzetting wordt vaak een gedicht lang volgehouden. In ‘Heimzucht’ bijvoorbeeld, of in ‘Over een dood paard (en andere erge dingen)’. Het ergste, of het erotiek betreft of de dood, is onderwerp in Tuig – maar bij voorkeur in een laconiek kader.

Het directe taalgebruik past bij het slam-milieu waarin de dichter haar opgang maakte. Maar in een interview met Chrétien Breukers op de website van de Contrabas stelt Geels dat haar poëzie het product is ‘van een vaak langdurig proces van wikken, wegen, botten en knotten’. En zo hoort het ook in de dichtkunst. Alleen langs die indirecte weg schrijf je juweeltjes als ‘Wildgroei’:

Waar zal ik mijzelf laten wanneer mijn

vingertoppen uitlopen in woekergewas.

Overdag snoei ik bij maar ’s nachts kruipt

het over mijn matras langs de muren omhoog

en hecht zich aan het uitgelezen plafond.

Hier wacht het op verlossende woorden.

Spreek ze uit. Kornoelje. Tollenaar. Zaagtandbek.

Salomonszegel. Oogappel. En ergens in die wille-

keurige reeks voel ik het gaan, bewegen, trekken

de tengels zich schoksgewijs in mijn vingers terug

Laat de honden los en geef mij een konijnen-

pootje mee voor onderweg. Dan druk ik mijn

peuk uit op de plek waar ik hem vond. Zegen

met gekruiste vingers de uitgeputte grond. De

nachten zweer ik af. Daar zal niets meer groeien.

Mijn keus mag duidelijk zijn. Tuig van Johanna Geels verdient de Buddingh’-prijs 2009.