Shell hier aanklagen? Zo eenvoudig is dat niet

Lubbers wil dat Nederland net als de VS multinationals aan kan klagen als zij de mensenrechten schenden. Maar wanneer is een bedrijf medeplichtig, vraagt Frank Kuitenbrouwer.

De schikking van Shell met de nabestaanden van de geëxecuteerde Nigeriaanse activist Ken Saro-Wiwa was een „humanitair gebaar”, benadrukt de oliemaatschappij, en niet een erkenning van schuld. Maar de schikking is niet los te zien van een naderende rechtszaak op grond van een ruim twee eeuwen oude Amerikaanse wet, de Alien Tort Claims Act (ATCA), die in de loop der tijd in het vergeetboek was geraakt, maar in de jaren negentig werd afgestoft. Deze maakt het mogelijk in de VS een civiele procedure aan te spannen tegen bedrijven – ongeacht hun nationaliteit – wegens betrokkenheid bij schending van mensenrechten in andere landen.

Nederland moet dit voorbeeld volgen, betogen de Minister van Staat Lubbers en anderen (Opiniepagina, 10 juni): „Werk aan de winkel voor onze parlementariërs.” Het Amerikaanse voorbeeld is inspirerend, maar minder eenvoudig dan het lijkt. Tijdens het nieuwe leven van ATCA zijn naar schatting veertig zaken aangebracht. Tot een veroordeling van een multinational is het nog niet gekomen. Wel heeft het Californische oliebedrijf Unocal, dat beticht werd van het gebruik van dwangarbeid in Birma, vijf jaar geleden ook al eens een schikking getroffen. Maar vorig jaar wees een Amerikaanse jury een klacht tegen Chevron af over medeplichtigheid aan het neerschieten van dorpsbewoners in Nigeria.

Het Amerikaanse Hooggerechtshof maakte vorig jaar de weg vrij voor een grote zaak van Zuid-Afrikaanse slachtoffers van de Apartheid tegen bedrijven in Europa, Amerika en Azië. De inzet staat echter open voor discussie, signaleerden de juristen Mark C. Medish en Daniel R. Ludich in de International Herald Tribune van 2 juni. Klachten tegen bedrijven die transport- en computerdiensten leverden werden toegelaten, maar tegen internationale banken die ze financierden niet. Waar ligt de grens?

ATCA is een inbreuk op een basisregel van het volkenrecht: landen beoordelen in principe niet elkaars wetgeving of rechtspraak. Dat gaat niet op voor ernstige schendingen van mensenrechten, want die zijn een internationale aangelegenheid. Maar waar ligt de grens? De regering-Bush waarschuwde het Hooggerechtshof dat het doorlaten van de Apartheid-zaak ernstige diplomatieke gevolgen kon hebben. Het verwijt van een Amerikaans juridisch imperialisme ligt gevoelig, zeker in het Obama-tijdperk. Door een procedurele bijzonderheid moest het Hooggerechtshof de zaak toch laten doorgaan, maar een echt antwoord gaf het niet.

De gezaghebbende Internationale Commissie van Juristen (ICJ) bracht in september een gedegen rapport uit: Corporate Complicity & Legal Accountability. Wat is medeplichtigheid? De topjuristen kwamen niet tot een eenduidige definitie en spraken van „een zone van juridische risico’s” voor multinationals. Dat is niet een sterke basis voor het toedelen van aansprakelijkheid aan ondernemingen die zich er steevast op beroepen zich te moeten houden aan de wet van het land waar ze werken.

Duidelijk is wel dat bovenstaande zaak (nog) ingewikkelder is dan het milieu, dat Lubbers c.s. centraal stellen. Computerbedrijven kunnen hun software aanpassen om overheden in staat te stellen minderheden te discrimineren. Denk aan Google in China. Andere bedrijven leveren bulldozers om huizen plat te walsen. En is de belastingsafdracht aan regeringen met een kwalijke staat van dienst op zichzelf al niet verdacht?

De ICJ betoonde zich ook nog eens gefrappeerd door de „steeds toenemende ingewikkeldheid van de moderne constructies in het zakenleven”. Dat maakt het toedelen van aansprakelijkheid extra ingewikkeld. De Apartheid-zaak illustreert dat de juridische druk op multinationals toeneemt. Terecht. Er is zeker iets te zeggen voor de nationale aanpak à la ATCA. „Het zou niet de eerste keer zijn indien een nieuwe internationale rechtsontwikkeling haar wortels vindt in een evoluerend nationaal rechtsbewustzijn”, zoals de Tilburgse hoogleraar Willem van Genugten in dit verband opmerkte.

Gidslanden zijn onmisbaar, maar niet voldoende. Zeker als ze zelf er nog niet uit zijn, zoals Amerika. De Nederlandse regering heeft tot dusver wetgeving afgewezen en ingezet op zelfregulering door het bedrijfsleven. Medish en Ludich bepleiten met reden een internationaal forum te zoeken voor de basisvragen over medeplichtigheid van multinationals. Zeker als het om universele rechtsmacht zoals die van ATCA gaat, is een verdragsrechtelijke basis onmisbaar. Voorbeelden: de bestraffing van zeerovers of volkenmoord. Een goed begin kan worden geleverd door de Organisatie voor Economische Ontwikkeling en Samenwerking (OESO). Deze heeft al gezorgd voor een conventie over het netelige probleem van internationale smeergelden, ondertekend door 38 landen. Onze parlementariërs kunnen zich beter op dit voorbeeld richten.

Frank Kuitenbrouwer is medewerker van NRC Handelsblad.