Durf Wilders een racist te noemen

De PVV heeft alle kenmerken van een extreemrechtse partij.

Maar het racisme van de partij bij de naam noemen is in Nederland taboe.

Illustratie Bas van der Schot
Illustratie Bas van der Schot Schot, Bas van der

Dinsdag was in nrc.next een grafiek te zien waaruit bleek dat de PVV en de Oostenrijkse Lijst Dr. Martin met 17 procent van de stemmen veruit de grootste ‘rechts-populistische’ partijen in Europa zijn. In de buitenlandse media en politiek wordt Wilders regelmatig aangeduid als extreem-rechts, maar in Nederland durft bijna niemand het beestje bij de naam te noemen.

Na het uitkomen van Wilders’ film Fitna bijvoorbeeld, was de Nederlandse regering in zijn reactie vooral bezorgd over onze handelsbelangen. Opmerkelijk genoeg was VN-topman Ban Ki-moon veel harder in zijn oordeel. Hij zei dat „er geen rechtvaardiging was voor de hatespeech in de film” en dat het aanpakken van de film niet in strijd is met het beperken van de vrijheid van meningsuiting. In Nederland ging de politiek over tot de orde van de dag. Gelukkig heeft het Hof later opdracht gegeven om Wilders te vervolgen voor „aanzetten tot haat en discriminatie”. En dat is terecht als je naar de standpunten van zijn partij kijkt.

De PVV wil de grenzen sluiten voor mensen van één bepaalde godsdienst en de gebedshuizen en scholen van alleen die bevolkingsgroep verbieden. Wilders zei in De Limburger dat hij de „moskeeën wil afbreken,” en in HP/De Tijd zei hij dat er „in Nederland best joodse en christelijke scholen mogen bestaan, maar geen islamitische scholen”. Pure discriminatie dus. Bovendien heeft Wilders eerder gezegd dat zijn utopie een Nederland zonder migranten is en dat hij het onacceptabel vindt als de Nederlandse steden in de toekomst in meerderheid uit niet-blanken bestaan. Wilders neemt het ook niet zo nauw met de democratie. De PVV-leider is het enige lid van zijn privépartij. Parlementariërs van de PVV worden niet gekozen door de partij, maar aangewezen door Wilders. De club komt achter gesloten deuren bij elkaar in bijeenkomsten waar niemand stemrecht heeft. De belangrijkste definiërende kenmerken van een extreemrechtse partij - nationalistisch, anti-democratisch en racistisch - zijn dus bij de PVV aanwezig.

Ook koketteert de partij graag met geweld. De Kamerfractie wordt een „knokploeg” genoemd, Marokkaanse voetbalvandalen mogen in het been geschoten worden en volgens Wilders hoeft van rassenrellen „niet bij voorbaat een negatieve werking uit te gaan.”

De racistische standpunten van de Centrumdemocraten werden in de jaren tachtig en negentig in het publieke debat sterk bestreden waardoor de partij nooit meer dan een paar procent van de stemmen haalde. Na een veroordeling van lijsttrekker Janmaat wegens discriminatie in 1996 verdween de partij zelfs helemaal uit de Kamer. Een harde aanpak van de discriminerende standpunten van de PVV, zowel in het debat als via de rechter, zou ook nu de oplossing moeten zijn.

Maar het tegenovergestelde lijkt te gebeuren. Het benoemen van racisme is sinds een aantal jaren het nieuwe taboe in Nederland. In een tijd dat alles gezegd moet kunnen worden en politici zelfs pleiten voor het recht op kwetsen, durft opvallend genoeg niemand de vreemdelingenhaat bij de naam te noemen. In Nederland lijkt het idee te leven dat racistische politici alleen in het buitenland bestaan. Moeiteloos veroordelen we Dewinter en Le Pen vanwege hun opvattingen, maar in ons land zou vreemdelingenhaat niet voorkomen. Buitenlandse onderzoeken bewijzen het tegendeel. In maart zei de Commissaris voor Mensenrechten van de Raad van Europa nog dat hij „serieuze zorgen had over de racistische en intolerante ontwikkelingen” in ons land. De Raad verbaasde zich er in een eerder rapport al over dat de standpunten van de PVV zo weinig worden tegengesproken door de andere politici. In eigen land deed de Anne Frank Stichting onderzoek naar de PVV en kwam tot de conclusie dat het een extreemrechtse partij is. Uit een rapport van de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten werd duidelijk dat veel gemeenten last hebben van extreemrechtse jongeren. Meer dan van moslimextremisme. Toch blijven pers en politiek ontkennen dat er een probleem is in ons land met toenemend racisme. Het meest duidelijke voorbeeld daarvan was Rita Verdonk die in de befaamde toespraak bij de lancering van Trots op Nederland zei: „Er verschijnen steeds onderzoeken die ons van discriminatie beschuldigen. Nederlanders hebben het niet in zich om te discrimineren!”

D66 is tot nu toe de enige partij in het parlement die Wilders consequent aanspreekt op zijn vreemdelingenhaat. Schoorvoetend begint GroenLinks dit voorbeeld te volgen. Maar ook andere partijen zouden de bestrijding van racisme niet langer uitsluitend over moeten laten aan de rechtbank en zich in het parlement en op straat weer duidelijk moeten laten horen tegen iedere vorm van discriminatie. Doodzwijgen van de PVV helpt niet. Het racisme van die partij benoemen en je daar ferm tegen uitspreken wel.

René Danen is voorzitter van de stichting Nederland Bekent Kleur